Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.5
5.5 Het criterium van de onduidelijke rechtstoestand
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS416279:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Popelier 1997, p. 326-327, Popelier 1999a, p. 191-192 en Berger 2002, p. 99-100.
De door de wetgever zo nu en dan gebruikte term ‘kenbare evidente omissie’ acht ik een tautologie.
Zie o.a. Popelier 1999a, p. 191, HvJ EG 20 juni 1991, nr. C-248/89 (Cargill), ECR 1991, p. I-2987 en Heukels 1990, p. 184. McIntyre neemt een soepeler standpunt in, zie McIntyre 1976, p. 7.
Kamerstukken II 2001/02, 28 487, nr. A, p. 3.
Zie over het vereiste van kenbaarheid van de fouten ook Notitie SV p. 4.
Opvallend is in dit verband dat art. 3.82 onderdeel c Wet IB 2001 (uitkering uit een pensioenregeling internationale organisaties) bij inwerkingtreding van de Fiscale onderhoudswet 2004 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 in de Wet IB 2001 opgenomen zonder dat de Raad van State hier in haar advies een opmerking over heeft gemaakt.
De motie Stevens c.s., Kamerstukken I 2001/02, 28 034, nr. 123c.
In een advies aan de Minister van Justitie van 7 oktober 2005 adviseert de Raad van State nota’s van wijziging voortaan ter advisering aan de Raad voor te leggen; zie Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI, nr. 169, p. 6. Zie ook aanwijzing 277 AR.
Handelingen I 2001/02, nr. 12, p. 628.
Zo ook Logue 1996, p. 1164.
Een zesde criterium dat door Popelier wordt onderscheiden om vertrouwen te beoordelen is ‘het criterium van de onduidelijke rechtstoestand’ (par. 4.4.1.1). Dit criterium houdt in dat het vertrouwen op het voortbestaan van een onduidelijke, ongeldige of verwarrende regel weinig beschermenswaardig is. Als een regel heel onduidelijk is of leemten heeft, kan men niet stellen dat verwacht wordt dat deze situatie gehandhaafd zal blijven.1 Hierna ga ik nader in op de vraag onder welke omstandigheden een omissie kan leiden tot het ontstaan van gerechtvaardigde verwachtingen op het voortbestaan van de oude regel. Dat verwacht mag worden dat een ongeldig verklaarde regel wordt hersteld, werk ik uit in par. 5.6.5.
Indien duidelijk is dat de wetgever bij de totstandkoming van een wettekst een fout heeft gemaakt, is sprake van een evidente omissie.2 De vraag rijst wat onder een evidente omissie kan worden verstaan. Naar mijn mening vallen hieronder niet alleen verschrijvingen maar ook foutieve verwijzingen en wetssystematische fouten. Bij een wetssystematische fout kan worden gedacht een voordeel dat altijd werd belast, doch na een herziening – zonder nadere toelichting – buiten de heffingsgrondslag wordt gelaten. Bij een evidente omissie mag er in beginsel niet op worden vertrouwd dat deze in stand wordt gelaten. Om die reden is ten aanzien van evidentie omissies algemeen aanvaard dat met terugwerkende kracht tot het moment dat de fout is ingevoerd herstel kan plaatsvinden.3
Een omissie in de wettekst is evenwel niet altijd een evidente omissie en leidt niet onverkort ertoe dat er geen verwachtingen zijn gewekt. Met betrekking tot het herstel van fouten in het kader van de Belastingherziening 2001 heeft de Raad van State enkele uitgangspunten gegeven.4 Reparatie met terugwerkende kracht tot de invoeringsdatum is volgens de Raad van State toegestaan als:
het gaat om ondergeschikte wetswijzigingen die redelijkerwijs verwacht mochten worden omdat zij duidelijk uit het in de wet vastgelegde stelsel voortvloeien of omdat zij duidelijk kenbare fouten en omissies herstellen; 5
de wetswijziging samenhangt met de invoering van een wet waarop de wetswijziging betrekking heeft; en
de reparatie binnen een jaar na de inwerkingtreding van de wet aan haar is voorgelegd.
Uit het laatstgenoemde uitgangspunt leid ik af dat de Raad van State de regel hanteert dat de gerechtvaardigdheid van verwachtingen op het voortbestaan van de oude regel toeneemt naarmate het herstel van een omissie langer op zich laat wachten.6
Het herstel van een omissie vindt evenwel niet altijd plaats door middel van een zelfstandige herstelwet. Bij de wijziging in het kader van de Belastingherziening 2001 van de regels met betrekking tot de buitenlandse belastingplicht in de Wet VPB 1969 waren aanmerkelijkbelangschuldvorderingen buiten schot gebleven. Aan het einde van het jaar 2001 werd deze omissie bij nota van wijziging met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 hersteld. Doordat de reparatie door middel van een nota van wijziging aan het Belastingplan 2002 was toegevoegd, heeft de Raad van State geen advies kunnen uitbrengen. Het feit dat de hiervoor genoemde omissie met terugwerkende kracht zou worden hersteld, zonder dat de Raad van State zich hierover kon uitspreken, vormde voor een aantal leden van de Eerste Kamer de aanleiding voor het indienen van een motie.7 In de motie werd de staatssecretaris verzocht om voor fiscale wetswijzigingen die terugwerkende kracht bevatten (ten nadele van de belastingplichtigen) altijd eerst het advies van de Raad van State in te winnen alvorens deze voor te leggen aan de Staten-Generaal.8 Nadat de staatssecretaris van Financiën had aangegeven dat hij de motie ondersteunde, werd de motie ingetrokken. Stevens stelde vast:9
‘Dat betekent dat in de toekomst niet meer bij nota van wijziging terugwerkende kracht wordt opgenomen in wetsvoorstellen.’
Ik deel de opvatting van de Raad van State dat in geval van een kenbare omissie belastingplichtigen niet ervan uit mogen gaan dat die omissie in stand wordt gelaten. Na afloop van het jaar waarin de omissie in werking is getreden neemt het vertrouwen op het voortbestaan van de omissie gestaag toe. De wetgever dient derhalve adequaat te handelen. Als hij dat niet doet, kan dat ertoe leiden dat – gelet op de eventueel aanwezige verwachtingen – herstel van de omissie met terugwerkende kracht tot het moment van inwerkingtreding leidt tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het voorkomen hiervan vormt voor de wetgever een stimulans om evidente omissies in de wet zo spoedig mogelijk nadat zij zijn ontdekt te herstellen.10
Indien de fout niet kenbaar is, kan niet worden gezegd dat op grond van de fout rekening moet worden gehouden met een wetswijziging.