Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/11.6.2
11.6.2 Inrichting en vrije keuze van leermiddelen en benoeming leraren
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977404:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.M.G. Leune, ´Onderwijskwaliteit en de autonomie van scholen´, in: B.P.M. Creemers (red.), Deregulering en de kwaliteit van het onderwijs, Groningen: RION 1994, p. 45; vgl. Vermeulen 1999, p. 65.
J.M.G. Leune, Onderwijs in verandering. Reflecties op een dynamische sector, Groningen: WoltersN 2001, p. 170-171.
Kortmann 2021, p. 156.
Mentink & Vermeulen 2011, p. 63; vgl. Burkens 2012, p. 503.
Zie: W. van Esch, M. Laemers & G. Vrieze, Benutting van de vrijheid van inrichting door scholen, Nijmegen: ITS 1992, S. Karsten e.a., ’Vrijheid van inrichting onderzocht’, NTOR 1996, 2 en Onderwijsraad 2002, p. 78.
Kortmann 2021, p. 156.
Ktg. Amsterdam,11 februari 1983, AB 1983, 277 (directeur als Bhagwan gekleed op katholieke school).
HR 22 januari 1988, AB 1988, 96, NJ 1988, 981 (Maimonides); vgl. Cgb. 30 juli 2003 (2003-150), AB 2003, 376 (spreidingsbeleid allochtone leerlingen strijdig met de Awbg), Mentink & Vermeulen 2011, p. 113-119 en Broeksteeg 2019, p. 119 e.v.
Grenzen aan de autonomie van scholen: vrijheid van (in)richting
Het is evident dat de autonomie haar grenzen kent.1 Leune beschouwt deze beleidsruimte – als een aspect van de vrijheid van (in)richting – constitutioneel verzekerd. Het debat gaat echter over ‘de wijze waarop en de mate waarin de deugdelijkheidseisen de vrijheid van (in)richting (kunnen) beperken.2
Vrijheid van inrichting: vrije keuze leermiddelen en benoeming en ontslag leraren
De vrijheid van inrichting houdt onder meer in het gebruik van schooleigen leermiddelen en methoden, de keuze van het bestuursmodel en kwaliteitseisen, benevens het toelatings- en selectiebeleid, de onderwijsmethodiek en het vrije benoemingsrecht van het bevoegd gezag van medewerkers. De vrijheid van inrichting is meer dan een connex recht ten opzichte van de vrijheid van richting. Deze vrijheid heeft ook betrekking op de zaken die buiten de vrijheid van richting liggen. Een verschil bestaat erin dat deze laatste vrijheid sterke eerbiediging vraagt.3 Mentink en Vermeulen stellen dat de vrijheid van inrichting het overkoepelende grondrecht vormt, waarvan de vrijheid van richting de harde kern is.4
Artikel 23 lid 6 Gw noemt de vrije leermiddelenkeuze en het personeelsbeleid als onderdelen van de vrijheid van inrichting. Deze specificaties van de vrijheid van inrichting zijn niet limitatief: ook beleid ten aanzien van de toelating van leerlingen valt hier bijvoorbeeld onder. Wel is de bevoegdheid tot het stellen van deugdelijkheidseisen aan onderdelen van de inrichting die samenhangen met de richting (artikel 23 lid 5 en 6 Gw) met name aan serieuze grenzen onderworpen.5 De wetgever is dan beperkt in het stellen van deugdelijkheidseisen door middel van inrichtingsvoorschriften.6
Enerzijds mogen kwaliteitseisen gesteld worden aan de inhoud van de leermiddelen en het onderwijs; anderzijds vloeien er grenzen voort uit discriminatieverboden en openbare orde-overwegingen. Te denken valt aan de Algemene wet gelijke behandeling respectievelijk beginselen van openbare orde. Benoeming, schorsing, ontslag7 van de leraren alsmede selectie van leerlingen wordt evenzeer begrensd door de Algemene wet gelijke behandeling, op basis waarvan bepaalde gronden niet toegepast mogen worden en sprake moet zijn van een coherent en consistent toegepast personeels- en toelatingsbeleid.8