Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/7.4.2.4:7.4.2.4 Specifieke achterstelling
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/7.4.2.4
7.4.2.4 Specifieke achterstelling
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186730:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Spinath 2005, p. 24, A. van Hees 1989, p. 114, Wessels 2013, p. 83, Klaassen 1981, p. 17 en Rapport Insolad Afwikkeling Faillissementen 2011, p. 57.
Vgl. par. 7.3.3.6.
A. van Hees 1989, p. 114, Fransis 2017, nr. 384, Wessels 2013, p. 83 en Klaassen 1981, p. 16. Vgl. ook Ferran 1999, p. 556.
Zie Spinath 2005, p. 24 en Wessels 2013, p. 83.
A. van Hees 1989, p. 114, Wessels 2013, p. 83 en Spinath 2005, p. 24.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
478. De uitdeling is complexer als er een rangverschil bestaat binnen een klasse. Dan kunnen de verhaalsrechten niet worden geordend in de vorm van een ranglijst.
Het simpelste geval van rangverschil binnen een klasse bestaat uit drie verhaalsrechten, waarvan er één bij één ander verhaalsrecht is achtergesteld. Binnen de literatuur over achterstellingen bestaat consensus over de wijze van verdeling van de executie-opbrengst in dergelijke gevallen.1 De casus van één specifiek achtergestelde schuldeiser komt qua rangorde echter overeen met de casus waarin tussen twee beslagen in een zekerheidsrecht is gevestigd, terwijl in de literatuur geen overeenstemming bestaat over de verdeling van de executie-opbrengst in dat laatste geval. Deze paragraaf beschrijft de verdeling van de executie-opbrengst vanuit het oogpunt van de achterstelling, in de volgende paragraaf wordt de vergelijking gemaakt met de casus beslag-hypotheek-beslag.
479. De rangorde van het eenvoudigste geval waarbij rangverschil binnen een klasse optreedt is weergegeven in figuur 7.5.2 Er zijn drie verhaalsrechten, V A, V B , en V C toebehorend aan de schuldeisers A, B en C. Het verhaalsrecht van C is eigenlijk achtergesteld bij dat van B. De verhaalsrechten van B en C hebben beide wel gelijke rang met verhaalsrecht A.
Stel dat A, B en C alle drie 5.000 te vorderen hebben en dat de executie-opbrengst 9.000 bedraagt. Omdat verhaalsrecht A gelijk in rang is met de verhaalsrechten B en C heeft schuldeiser A recht op pondspondsgewijze uitdeling met B en C. Schuldeiser A ontvangt dus een percentage van de executie-opbrengst dat overeenstemt met het deel dat verhaalsrecht A uitmaakt van de totale verhaalsrechten. Als de executie-opbrengst wordt genoteerd als E, dan ontvangt schuldeiser A dus
Voor de berekening van de uitkeringen aan B en C kunnen twee verschillende methodes worden gevolgd, die altijd tot dezelfde uitkomst leiden.
De eerste methode begint ermee de verhaalsrechten van B en C tezamen te laten concurreren met dat van A. Zij zijn immers beide gelijk in rang met A. Er wordt een fictieve uitkering op de vorderingen van B en C tezamen vastgesteld. B en C ontvangen samen
Die gezamenlijke fictieve uitkering wordt vervolgens verdeeld door een nieuwe ‘sub-rangorde’ op te stellen tussen B en C. Tussen hen geldt absolute voorrang. Hun gezamenlijke deel van de executie-opbrengst komt dus eerst ten goede aan het verhaalsrecht van B. Alleen als B volledig voldaan kan worden vindt er een uitkering aan C plaats. Dat is het geval. B ontvangt 5000. C ontvangt dan de rest van het bedrag dat beschikbaar is om B en C te voldoen, dus
De tweede rekenmethode berekent eerst de ‘fictieve uitkeringen’ aan B en C en herverdeelt die vervolgens conform de rangorde. Als er géén achterstelling zou gelden dan zou aan B en C pondspondsgewijs worden uitgekeerd. Deze fictieve uitkering aan B zou
bedragen. De fictieve uitkering aan C zou
bedragen. Vervolgens wordt het rangverschil tot uiting gebracht door aan B ook de fictieve uitkering van C uit te keren, voor zover nodig om B volledig te voldoen. Er wordt 2.000 van de fictieve uitkering van C aan B uitgekeerd. De werkelijke uitkeringen bedragen uiteindelijk weer 5.000 voor B en 1.000 voor C. Omdat de achterstelling tussen B en C geen invloed heeft op de positie van A is de fictieve uitkering voor hem gelijk aan de werkelijke uitkering. A. van Hees, Wessels, Fransis en Klaassen staan dit systeem voor.3
De eerste en de tweede wijze van berekening leveren steeds dezelfde verdeling op. Het verschil zit enkel in de rekenmethode.
In beide gevallen ontvangt C een lagere uitkering dan A terwijl zij onderling gelijke rang hebben. Dit is niet problematisch. Het wordt veroorzaakt doordat A ook gelijk in rang is met B, maar C een lagere rang heeft dan B.
De tweede rekenmethode kan tot misverstanden aanleiding geven. De fictieve uitkering moet niet worden verward met een daadwerkelijke uitkering of het deel van de executie-opbrengst waarop de junior recht heeft. De junior heeft geen recht op de fictieve uitkering die hem in de eerste stap van de tweede rekenmethode wordt toegekend. Het bedrag dat de senior méér ontvangt door de achterstelling ontvangt de senior op zijn eigen vordering, op grond van de door de achterstelling aangepaste rangorde.
Dat blijkt ook bij vergelijking met de verdeling van een executie-opbrengst tussen twee verschillende klassen. Als er twee klassen van schuldeisers bestaan, één klasse concurrente schuldeisers en één klasse preferente schuldeisers en de executie-opbrengst onvoldoende is om de preferente vorderingen te voldoen, dan komt aan de preferente schuldeisers de volledige executie-opbrengst toe als betaling op hun eigen vorderingen. Dan worden niet de concurrente vorderingen betaald door een uitkering aan de preferente schuldeisers. De eerste rekenmethode vermijdt dit misverstand en geeft daarom de theoretische grondslag van de verdeling beter weer.
Er zijn andere oplossingen denkbaar.4 A. van Hees, Wessels en Spinath bespreken alle drie alternatieven die vervolgens worden verworpen, omdat die geen recht doen aan het absolute rangverschil of de relativiteit van rang.5 In de volgende paragraaf komt een ander alternatief aan bod.
480. Als aan de rangverschillen niet met absolute voorrang maar met relatieve voorrang gevolg wordt gegeven verandert de berekening niet wezenlijk. Alleen de verdeling tussen B en C wijzigt, omdat alleen tussen hen een rangverschil bestaat. Dat uit zich bij de onderverdeling van hun gezamenlijke deel van de executie-opbrengst in de afzonderlijke delen van B en C. Dat gebeurt dan met relatieve voorrang. Bij uitdeling in verhouding 2:1 levert dat een uitkering op van 4.000 aan B en 2.000 aan C.
481. De verdeling van de executie-opbrengst wijzigt ook niet wezenlijk als op de plaats van A, B of C in figuur 7.5 meerdere verhaalsgerechtigden aantreden. Zijn er bijvoorbeeld meerdere senioren B1, B2, B3 etc., dan staan die allen op de plek waar B in figuur 7.5 staat. Zij zijn onderling gelijk in rang, maar staan gezamenlijk boven C. Alleen de interne rangregeling in de rechterkolom wijzigt. Het deel dat aan B1, B2, B3 etc. en C gezamenlijk toekomt wordt eerst pondspondsgewijs verdeeld onder de senioren B1, B2, B3 etc. Daarna ontvangt C het overschot. Op vergelijkbare wijze kan dit systeem worden uitgebreid bij meerdere verhaalsgerechtigden met dezelfde rang als A of als C.