Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.8
2.2.8 Het hebben van intenties of eigenschappen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715425:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat is bijvoorbeeld ook het standpunt van de Werkgroep Van Veen, zij het dat de Werkgroep de mogelijkheid open lijkt te willen houden om een uitzondering te maken voor staatsgevaarlijke misdrijven (Van Veen 1988, p. 7).
Zo ook: Husak 2010, p. 48-49.
Vgl. De Jong 2021, p. 687-688. Hooguit valt erop te wijzen dat een inbreuk op de vrijheid van gedachten van een verdachte mogelijk ook de vrijheid van gedachten van derden schaadt, doordat derden kunnen vrezen dat ze ook voor hun gedachten zullen worden bestraft (Alexander & Ferzan 2009, p. 202-203).
Rutgers 1992, p. 257; Van Eck 1947, p. 9.
Prakken & Roef 2004, p. 241; Holmes 1882, p. 65.
Ten Voorde 2012a, p. 96; Ten Voorde 2012b, p. 68-69; Rutgers 1992, p. 257. Gedachten kunnen uiteraard wel veranderingen veroorzaken in de interne belevingswereld van de dader (Alexander & Ferzan 2009, p. 200), maar daar houdt het strafrecht zich niet mee bezig.
Cornford 2015, p. 12; Simester & Von Hirsch 2011, p. 62.
Alexander & Ferzan 2009, p. 212-213.
Zie daarover: §2.3.8.
Recidive zou volgens sommige auteurs hooguit mee mogen wegen in de strafmaat, maar niet bij bewijsvragen (Prakken & Roef 2004, p. 245) en zelfs bij de strafmaat valt te betogen dat de dader al is bestraft voor wat hij eerder heeft gedaan. Mill meent echter dat het geen probleem is om de dader bij een eerdere veroordeling individueel een beperkende voorwaarde op te leggen ten aanzien van het verrichten van bepaalde handelingen (Mill 1859, p. 175). Mill licht niet uitgebreid toe wat hij daarmee bedoelt en gebruikt als enig voorbeeld een verbod op het drinken van alcohol, wat in die zin de vergelijking met voorbereidingshandelingen bemoeilijkt dat het gebruik van alcohol als zodanig reeds de keuzevrijheid van de actor beïnvloed, terwijl het voorhanden hebben van voorbereidingsmiddelen dat niet doet.
Alexander & Ferzan 2012, p. 647; Husak 2010, p. 48. Dat mensen niet altijd de controle over hun gedachten hebben wordt mooi geïllustreerd door de bekende opdracht om niet aan een paarse olifant te denken.
Cornford 2015, p. 12; Mols & De Roos 1992, p. 225.
Ten Voorde 2012b, p. 83; Mols & De Roos 1992, p. 225.
Strijards 1988, p. 32.
Machielse 2020, aant. 1.1; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 133-134.
Strijards 1988, p. 9.
Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 133-134. Leeftijd is mijns inziens minder problematisch, omdat dat een universele, niet-discriminatoire eigenschap is die voor iedereen op gelijke wijze werkt. Leeftijd is binnen een liberaal strafrecht bovendien relevant voor de vraag in hoeverre of de dader in staat is zijn wil te bepalen.
Het is echter bijzonder lastig te bepalen of iemand over een bepaalde eigenschap wel of geen controle heeft. ‘Onder invloed zijn’ lijkt bijvoorbeeld in beginsel iets waar iemand controle over heeft (of had). Dat is echter lastiger bij verslaafden. Een interessant voorbeeld is een zaak waarin de Amerikaanse staat Californië het strafbaar had gesteld om ‘drugsverslaafd te zijn’. Die strafbaarstelling kon volgens het Hooggerechtshof niet door de beugel. Zie: Hooggerechtshof (Verenigde Staten) 25 juni 1962, 370 U.S. 660 (Robinson v. California). Het bestraffen van een alcoholverslaafde voor openbaar dronkenschap achtte datzelfde Hooggerechtshof echter wel toegelaten. Zie: Hooggerechtshof (Verenigde Staten) 17 juni 1968, 392 U.S. 514 (Powell v. Texas). Een ander lastig voorbeeld betreft het ‘zijn’ van een illegale immigrant. Het Italiaanse Constitutionele Hof heeft nog niet zo lang geleden een bepaling ongrondwettig verklaard die het als strafverzwarende omstandigheid aanwees als een delict door een illegale immigrant werd gepleegd. Zie: Constitutioneel Hof (Italië) 5 juli 2010, ECLI:IT:COST:2010:249. Het ging om artikel 61 onder 11bis van de Italiaanse Codice Penale. Vgl. Spena 2014, p. 643.
Van Kempen & Fedorova 2015, p. 54; Husak 2010, p. 42-43; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 160. Zo ook: Fletcher 2000, p. 203, voetnoot 22. Vgl. Dubber 2001, p. 847. Uitzonderingen blijven overigens denkbaar, bijvoorbeeld op het terrein van de vrijheid van godsdienst.
Prakken & Roef 2004, p. 238. Buiten de voorfase gaat het doorgaans om gevallen van Garantenstellung, zoals bij aan ambtenaren, echtgenoten, artsen, vuurwapenbezitters, automobilisten en schippers.
Levanon 2012, p. 249-250. In gevallen waarin dat niet mogelijk is, rijst in het kader van het schuldbeginsel de vraag of de verdachte wel een verwijt kan worden gemaakt.
Zie: Ten Voorde 2012b, p. 77 en 80.
Ashworth & Zedner 2014, p. 100.
Evenmin kan vanuit liberaal oogpunt het hebben van bepaalde intenties of gedachten strafbaar worden gesteld.1 Het uitgangspunt dat gedachten vrij moeten zijn van strafrechtelijke bemoeienis, wordt zo breed erkend dat er verrassend weinig auteurs zijn die proberen dit standpunt van een principiële onderbouwing te voorzien.2 Vanuit liberaal oogpunt is dat bij nadere beschouwing eigenlijk niet zo opmerkelijk, omdat de vrijheid van gedachten daarin een zelfstandige, intrinsieke waarde heeft die niet instrumenteel is aan andere belangen. Anders gezegd: er valt vanuit liberaal oogpunt niet veel te onderbouwen aan het standpunt dat vrijheid van gedachten een fundamenteel mensenrecht is; vrijheid is vanuit liberaal perspectief immers het uitgangspunt en het is juist aan de staat om te rechtvaardigen waarom daar een inbreuk op mag worden gemaakt.3
Toch valt er wel iets meer te zeggen over de wijze waarop de vrijheid van gedachten in een liberaal strafrecht past. In een liberaal strafrecht moet een onderscheid bestaan tussen moraal en strafrecht, waarbij het strafrecht zich focust op het externe, terwijl de moraal zich richt op het interne.4 Daaruit volgt ook dat een scherp onderscheid moet bestaan tussen het (interne) opzet van de verdachte en diens (externe) gedrag; de intentie mag – zoals gezegd – niet de grondslag zijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.5 Gedachten, dromen en overtuigingen veroorzaken als zodanig geen veranderingen in de fysieke werkelijkheid bij derden en kunnen dus ook geen grondslag voor aansprakelijkheid vormen.6 Strafbaarheid voor gedachten en intenties miskent bovendien de autonomie van burgers, door een burger al aansprakelijk te stellen nog voor hij de (definitieve) keuze heeft gemaakt om schadelijke gevolgen te veroorzaken.7 Zolang iemand nog van gedachten kan veranderen, heeft hij nog geen definitieve keuze gemaakt.8 Daarom is ook de neiging om bij de interpretatie van voorbereidingshandelingen eerdere veroordelingen mee te wegen problematisch.9 De verdachte wordt dan (mede) beoordeeld aan de hand van eerdere keuzes waarvoor hij al verantwoording heeft afgelegd.10 Bovendien valt te betogen dat mensen onvoldoende controle hebben over gedachten, zij het dat sommige gedachten – met name planmatig doordenken – wel binnen de controle van de mens lijken te vallen.11 Daar komt nog de vergaande aantasting van de privacy van burgers bij die nodig kan zijn om intenties te achterhalen.12 De middelen die daarvoor geschikt zijn – zoals telefoontaps, hacks en infiltraties – zijn bovendien maar weinig transparant en slecht te controleren, wat een risico van willekeur en discriminatie met zich brengt.13 De burger moet vanuit liberaal oogpunt worden beschermd tegen de al te vergaande inzet van dergelijke ingrijpende opsporingsmiddelen. Het beginsel van staatsmachtbeperking staat dus op gespannen voet met het strafbaar stellen van (aantoonbare) criminele intenties.14
Volgens diezelfde logica kan ook het hebben van een bepaalde eigenschap of status niet de grondslag voor strafrechtelijke aansprakelijkheid vormen.15 Als persoonlijke eigenschappen al gevaar voor schade veroorzaken, zijn ze in de causale keten nog veel te ver van een grondfeit verwijderd. Tegen personen met bepaalde eigenschappen zou de staat bovendien op ieder willekeurig moment in kunnen grijpen, wat uiteraard op gespannen voet staat met het idee van staatsmachtbeperking. Zelfs het gebruik van dergelijke criteria om strafbaarheid af te bakenen is problematisch, gelet op het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod en het controleprincipe.16 Onder meer het hebben van een bepaalde huidskleur, etniciteit, geslacht, seksuele oriëntatie, handicap of (ander) lichamelijk kenmerk of het hebben van bijvoorbeeld familiebanden met bepaalde personen, kunnen daarom niet redengevend zijn voor strafbaarstelling.17 Dat heeft er ook mee te maken dat de drager van dergelijke eigenschappen daar doorgaans geen controle over heeft en de eigenschap dus ook niet verwijtbaar is.18 Als een eigenschap of hoedanigheid echter vrijwillig is aangenomen en de burger daar ook weer afstand van kan doen en bovendien – in lijn met het legaliteitsbeginsel – de zwaardere plichten die met die hoedanigheid samenhangen vooraf duidelijk zijn, hoeft het hebben van die eigenschap niet categorisch van strafrechtelijke relevantie te worden uitgesloten.19 De burger heeft zich dan immers in feite vrijwillig aan dat zwaardere regime onderworpen.20 Strafbaarheid wegens (passief) lidmaatschap van een criminele of terroristische organisatie is vanuit dit perspectief beschouwd minder problematisch, omdat de deelnemer het lidmaatschap doorgaans kan beëindigen.21 Door de normadressaat nauwkeurig aan te duiden, worden de vrijheden van overige burgers bovendien minder aangetast.22 Dat neemt echter niet weg dat – zoals in §2.2.4 besproken – passief lidmaatschap op zichzelf nog geen gevolgen kan veroorzaken, het intreden van schadelijke gevolgen dan nog erg ver verwijderd is en het bovendien – gelet op het primaat van het materiële strafrecht – problematisch is als enkel of vooral voor lidmaatschap wordt gekozen als aanknopingspunt voor aansprakelijkheid vanwege de bewijstechnische voordelen die daaruit voortvloeien.23