Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief
Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.6.2:8.3.6.2 Het bepaaldheid van het voorwerp van levering in het arrest Van Vliet q.q./AB
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.6.2
8.3.6.2 Het bepaaldheid van het voorwerp van levering in het arrest Van Vliet q.q./AB
Documentgegevens:
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS419568:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 maart 1959, NJ 1959/579 (Van Vliet q.q./AB) m.nt. L.E.H. Rutten.
Meijers beschreef al in 1936 de mogelijkheden dat een zekerheidsoverdracht Paulianeus of onrechtmatig kon zijn. Zie: Meijers 1936, p. 244-5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het arrest Van Vliet q.q./AB oordeelde de Hoge Raad dat een aanduiding als ‘alle bedrijfs- en handelsvoorraden’ die de schuldenaar ten tijde van de overdracht had en in de toekomst zou verkrijgen voldoende bepaald was.1 In deze zaak betwistte de curator van de schuldenaar de geldigheid van deze levering bij voorbaat, omdat hierdoor de ‘andere schuldeisers nagenoeg iedere mogelijkheid van verhaal werd ontnomen.’ Volgens de Hoge Raad waren er voor de levering in het kader van een zekerheidsoverdracht geen bijzondere vormvoorschriften, ‘omdat in het stelsel van de wet de belangen van de schuldeisers op andere wijze worden beschermd dan door een bepaalden bij de levering van roerende zaken in acht te nemen vorm.’
De Hoge Raad wees er verder in het arrest Van Vliet q.q./AB op dat een benadeelde schuldeiser onder omstandigheden de actio Pauliana kon instellen, of als de schuldeiser onrechtmatig jegens hem had gehandeld, de vordering uit onrechtmatige daad.2