Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.1.1
7.1.1 Inleiding
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85911:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 april 2014, NJ 2014/296, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/259, m.nt. P.D. Olden,Ondernemingsrecht 2014/124, m.nt. C.D.J. Bulten, AA 2014/10, m.nt. B.F. Assink, JIN 2014/109, m.nt. P. Haas, r.o. 5.2.2 (Slotervaartziekenhuis). Vide ook de conclusie, onder 5.5-5.6, van A-G Timmerman bij deze beschikking.
HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013/6, m.nt. B.F. Assink, JIN 2013/77, m.nt. Van Rijswijk (Chinese Workers).
Aldus ook Assink in zijn noot, onder 4, bij HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013/6, m.nt. B.F. Assink, JIN 2013/77, m.nt. Van Rijswijk (Chinese Workers); J.H. Lemstra en T. Salemink, ‘Kroniek enquêterecht 2014’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2014-2015, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 128, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 11; A-G Timmerman in zijn conclusie, onder 3.16-3.17, bij HR 1 februari 2019,ARO 2019/47 (Europa Leasing). Kennelijk evenzo K. Spruitenburg, ‘De economische gerechtigdheid in het enquêterecht: follow the money’, in: G.C. Makkink, M.P. Nieuwe Weme en A.J. van Wees (red.), Ik ben niet overtuigd. Opstellen aangeboden aan mr. P. Ingelse ter gelegenheid van zijn terugtreden als voorzitter van de Ondernemingskamer en als vice-president van het Gerechtshof Amsterdam, Prinsengrachtreeks, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2015, p. 473; Oosterhoff 2017, op. cit., p. 139. Anders: Van Schilfgaarde in zijn noot, onder 1, bij deze beschikking.
HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003/37, m.nt. P.D. Olden en C.C. Borgart (Scheipar).
HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh,Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Landis). Volgens Spruitenburg 2015, op. cit., p. 473 (voetnoot 51) hoort deze beschikking niet in het rijtje van vaste rechtspraak thuis. Daar sluit ik mij bij aan; Vide (nader) § 7.1.3.1.3.
HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge (e-Traction). Het ontgaat mij waarom de Hoge Raad deze beschikking in dat rijtje heeft opgenomen. In die richting ook Assink in zijn noot, onder 3, bij HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013/ 6, m.nt. B.F. Assink, JIN 2013/77, m.nt. Van Rijswijk (Chinese Workers); Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1636; Bulten 2014, op. cit., p. 6 (voetnoot 12); Spruitenburg 2015, l.s.c. Deze beschikking valt mijns inziens niet onder de ‘vaste rechtspraak’. Hetzelfde geldt, zoals gezegd, voor ’s Hogen Raads hiervoor genoemde Landis-beschikking, waarover ik nog kom te spreken. In gelijke zin Spruitenburg 2015, l.s.c.; Spruitenburg 2018, op. cit., p. 108 (voetnoot 403); conclusie, onder 3.15 (voetnoot 40), van A-G Timmerman bij HR 1 februari 2019, ARO 2019/47 (Europa Leasing).
HR 10 september 2010, NJ 2010/665, m.nt. P. van Schilfgaarde en S. Perrick, JOR 2010/337, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2010/146, m.nt. M.J. Kroeze (Butôt).
HR 8 april 2011, NJ 2011/338, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/178, m.nt. A. Doorman, JIN 2011/489, m.nt. P. Haas (TESN).
Vide ook S.M. Bartman, ‘Het goudschaaltje van Ingelse. Over de enquêtebevoegdheid van afgeleidgerechtigden’, in: G.C. Makkink, M.P. Nieuwe Weme en A.J. van Wees (red.), Ik ben niet overtuigd. Opstellen aangeboden aan mr. P. Ingelse ter gelegenheid van zijn terugtreden als voorzitter van de Ondernemingskamer en als vice-president van het Gerechtshof Amsterdam, Prinsengrachtreeks, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2015, p. 46-47.
In de Slotervaartziekenhuis-beschikking,1 waarin de Chinese Workers-beschikking2 werd verduidelijkt,3 overwoog de Hoge Raad – onder verwijzing naar zijn ‘vaste rechtspraak’, houdende zijn beschikkingen inzake Scheipar,4Landis,5e-Traction,6Butôt7 en TESN,8 dat de strekking van het enquêterecht meebrengt dat, voor de toepassing van art. 2:346, eerste lid, onderdeel b, (oud) BW (thans: art. 2:346, eerste lid, onderdelen b en c, BW), de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het enquêteverzoek betrekking heeft, aan een houder van (certificaten van) aandelen dient te worden gelijkgesteld, indien en voor zover dat belang van die kapitaalverschaffer op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeel- of certificaathouder van die vennootschap, hetgeen zal afhangen van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Aangezien de Hoge Raad in zijn verwijzing naar de hogergenoemde trits uitspraken mede naar zijn Landis-beschikking verwees, waarmee hij lijkt te suggereren dat de bovenbedoelde regel eveneens daaruit kan worden gefilterd, koers ik niet rechtstreeks op die beschikking aan, maar bespreek ik in het navolgende eerst de hierboven bedoelde elementen ‘verschaffer van risicodragend kapitaal’, ‘eigen economisch belang’ en ‘op één lijn stellen’.9 Vervolgens komt de hierboven genoemde vaste rechtspraak aan de orde. Daarbij zal ik mij beperken tot de beschikkingen waarin aandacht is besteed aan de concerngenotenenquête: Landis (§ 7.1.3.1) en TESN (§ 7.1.3.2). De overige (delen van die) uitspraken, hoe interessant ook, zullen bijgevolg niet (apart) worden besproken.