De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.3.2.5:2.3.2.5 Autonomie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.3.2.5
2.3.2.5 Autonomie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949425:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De beroepsbeoefenaar en beroepsgroep kunnen autonoom zijn ten opzichte van de overheid en de betreffende werkgevers.1 Zij gebruiken hun autonomie om zelf te kunnen bepalen op welke wijze zij hun beroep uitoefenen en op welke wijze zij hun beroepsorganisatie inrichten. Autonomie wordt gezien als noodzakelijk om het beroep uit te kunnen oefenen en daarmee een algemeen belang te dienen.2 Aangenomen wordt dat enkel de beroepsgroep over de nodige kennis beschikt om het eigen beroep te reguleren en dat de beroepsbeoefenaar zonder autonomie niet kan handelen in concrete situaties. De autonomie van de beroepsbeoefenaar en de beroepsgroep wordt dan ook gelegitimeerd doordat dit een voorwaarde is voor de goede uitoefening van het beroep, wat weer bijdraagt aan het dienen van een bepaald algemeen belang.3
Uit het voorgaande blijkt dat autonomie een rol speelt op twee niveaus; het niveau van de beroepsgroep en dat van de individuele beroepsbeoefenaar.4 Onder de autonomie van de beroepsgroep valt bijvoorbeeld dat deze bepaalt wie toegelaten wordt tot de beroepsgroep, welke professionele standaard geldt en welke scholing beroepsbeoefenaren dienen te volgen. Bij bepaalde beroepsgroepen gaat de (invulling van de) autonomie verder. Deze beroepsgroepen hebben bijvoorbeeld een min of meer eigen tuchtrecht, denk bijvoorbeeld aan het medisch tuchtrecht.
Het opleggen van een professionele standaard door de beroepsorganisatie aan de beroepsbeoefenaar is een vorm van zelfregulering. Dit heeft zowel nut voor de consument als voor de overheid.5 Zelfregulering door de beroepsgroep kan de consument beschermen door bijvoorbeeld beroepsbeoefenaren uit te sluiten die ondermaatse dienstverlening leveren. Daarnaast zorgt zelfregulering ervoor dat de overheid en de werkgever niet zelf met regels hoeven te treden in de beroepsuitoefening om bijvoorbeeld de veiligheid van de cliënt te borgen. Volgens Sutton is zelfregulering een mechanisme om de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken en in het verlengde daarvan het bestaan van professionele autonomie te legitimeren.6
De individuele beroepsbeoefenaar heeft – net als de beroepsgroep – een zekere mate van autonomie nodig. Deze autonomie gebruikt de beroepsbeoefenaar om af te kunnen wegen hoe hij in een concreet geval dient te handelen. De autonomie van de individuele beroepsbeoefenaar bestaat dan ook ten minste uit de ruimte voor de beroepsbeoefenaar om een concreet geval te interpreteren en ten aanzien van dit geval algemene inzichten af te wegen en toe te passen. Ofwel de vakman moet zijn timmermansoog kunnen blijven gebruiken. De autonomie van de beroepsbeoefenaar kan evenwel worden beperkt door de beroepsorganisatie, bijvoorbeeld als deze organisatie bepaalt dat de beoefenaar zich moet houden aan een professionele standaard.7
De professionele autonomie van de beroepsgroep en haar beroepsbeoefenaren is niet onbegrensd. De beroepsuitoefening wordt vaak in meer of mindere mate gereguleerd door wet- en regelgeving. De autonomie die hen toekomt, verschilt daardoor per beroepsgroep en per situatie waarin de beroepsgroep en haar beroepsbeoefenaren zich bevinden. De autonomie van de beroepsgroep eindigt waar de overheid het beroep gaat reguleren.8