Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.7.2
VI.7.2 Dadelijke tenuitvoerlegging
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600904:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over spanning tussen dadelijke tenuitvoerlegging en de onschuldpresumptie langer geleden al Keijzer 1987, p. 245; Roording 1994, p. 219-220; Van Russen Groen 1998, p. 191-192; Albers 2004, p. 273 e.v.. Zie naar aanleiding van plannen van de wetgever recenter: Bleichrodt, Mevis & Volker 2012, p. 132-136; Spronken 2012; Meijer 2013; De Roos 2014; Van Sliedregt 2015. Zie over de Nederlandse ontwikkelingen nader § VIII.5.
Vgl. A-G Harteveld voor HR 15 april 2014, NJ 2015, 235, m.nt. Vellinga-Schootstra.
Zie op die manier uitvoerig en genuanceerd Van Sliedregt 2015.
EHRM 27 juni 1968, nr. 2122/64, par. 9 (Wemhoff/Oostenrijk).
Vgl. bijv. Bleichrodt, Mevis & Volker 2012, p. 135.
EHRM 30 oktober 2014, nr. 17888/12, par. 53 (Shvydka/Oekraïne).
Dadelijke uitvoerbaarheid bestaat bijvoorbeeld in Noorwegen, Frankrijk en Engeland en Wales. In Duitsland is het verbod wel absoluut. Zie Bleichrodt, Mevis & Volker 2012.
EHRM 23 juli 2002, nr. 36985/97 (Västberga taxi aktiebolag en Vulic/Zweden); EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97 (Janosevic/Zweden). Vgl. tevens ECieRM 6 maart 1989, nr. 12693/87, dec. (Källander/Zweden); EHRM 14 februari 2006, nr. 53434/99, dec. (Paulow/Finland); EHRM 27 januari 2009, nr. 9631/04, dec. (Carlberg/Zweden).
Zie de dissenting opinion van Judge Casadevall bij EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97 (Janosevic/Zweden).
Concurring opinion van Judge Thomassen bij EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97 (Janosevic/ Zweden).
Vgl. Trechsel 2005, p. 181.
Een andere tenuitvoerleggingskwestie die raakt aan het onschuldvermoeden betreft de dadelijke tenuitvoerlegging van niet-onherroepelijke sancties. Dit thema heeft in de Nederlandse literatuur de afgelopen jaren veel aandacht gekregen vanwege voornemens en stappen van de nationale wetgever op dit vlak.1 Tegen de verhouding tussen dadelijke tenuitvoerlegging en de behandelingsdimensie kan men op twee manieren aankijken. Eerder bleek dat de onschuldpresumptie na de schuldigverklaring niet langer van toepassing is op de strafoplegging. Verdedigbaar is aan de ene kant dat de beslissing van de veroordelende rechter de op te leggen sanctie dadelijk uitvoerbaar te verklaren, net als de toemeting van sancties, aan die schuldigverklaring niets wezenlijks meer verandert of toevoegt.2 Aan de andere kant bleek hiervoor ook dat het beginsel geldt totdat schuld onherroepelijk is vastgesteld en dus ook in hoger beroep en cassatie van toepassing is. Betoogd kan worden dat de executie van een niet-onherroepelijke sanctie neerkomt op bejegening als schuldige. De openheid van de uitkomst van de procedure in hoger beroep komt daardoor in gevaar en het risico op onterecht ondergane straffen neemt serieus toe. Derhalve is het ook met de grondslagen voor de behandelingsdimensie in strijd een niet-onherroepelijke straf ten uitvoer te leggen.3
Het EHRM heeft tussen deze beide zienswijzen geen duidelijke keuze gemaakt. Vóór de verenigbaarheid van dadelijke tenuitvoerlegging met de presumptie van onschuld pleit de uitleg van artikel 5 lid 1 sub a EVRM. Al in 1968 besliste het Hof dat onder de op een conviction in de zin van die bepaling gebaseerde vrijheidsbeneming ook de detentie na niet-onherroepelijke veroordeling mocht worden geschaard.4 De bij de toepassing van het voorarrest te betrachten terughoudendheid mag na veroordeling in eerste aanleg derhalve in belangrijke mate worden losgelaten. Nu artikel 5 tot tenuitvoerlegging van niet-onherroepelijke gevangenisstraffen autoriseert, is het onwaarschijnlijk dat een ander artikel uit hetzelfde verdrag die praktijk verbiedt.5 Deze op het oog plausibele redenering gaat echter blijkens een arrest uit 2014 in elk geval niet op voor de verhouding tussen het Verdrag en het Zevende Protocol. In Shvydka/Oekraïne oordeelde het Straatsburgse Hof namelijk dat het recht op beroep van artikel 2P7 EVRM was geschonden, omdat de geboden herbeoordeling geen effectief herstel kon bieden, nu de opgelegde gevangenisstraf reeds ten volle was ondergaan voorafgaand aan de appelbehandeling.6
Over de grenzen die artikel 6 lid 2 EVRM aan de executie bij voorraad stelt, heeft het EHRM zich verrassend genoeg alleen uitgelaten in zaken over de dadelijke tenuitvoerlegging van fiscale boetes in Zweden en Finland. Dat is verrassend, aangezien uit onderzoek van Bleichrodt, Mevis & Volker naar voren komt dat in de meeste ons omringende landen een verbod op dadelijke uitvoerbaarheid niet absoluut is.7 De gelijktijdig gewezen arresten Janosevic/ Zweden en Västberga taxi aktiebolag en Vulic/Zweden verbieden dadelijke tenuitvoerlegging van straffen niet principieel.8 Dadelijke tenuitvoerlegging moet echter binnen redelijke grenzen blijven. Daarbij achtte het Hof onder meer relevant welk belang de staat bij de directe tenuitvoerlegging had en dat de financiële sanctie geen onomkeerbare gevolgen zou hebben omdat bij een geslaagd beroep de boetesom aan de betrokkene zou kunnen worden terugbetaald. Hoewel het EHRM voorts ten nadele van de lidstaat in ogenschouw nam dat de te executeren sanctie niet door een rechter maar door een bestuursorgaan was opgelegd, achtte het artikel 6 lid 2 EVRM niet geschonden.
Deze arresten zijn om meerdere redenen vatbaar voor kritiek. Ten eerste valt de proportionaliteitstoets concreet wel erg mild uit voor de executerende staat. Het Hof benadrukt het financiële belang van de staat bij de dadelijke uitvoerbaarheid. Dat belang is echter niet evident.9 Ogenschijnlijk stelt het Hof de inning van belastingen en de inning van boeten voor fiscale delicten op één lijn, terwijl toch te hopen valt dat de Zweedse schatkist van de opbrengsten uit punitieve sancties niet afhankelijk is. Met deze mild uitvallende toets hangt de meer principiële kritiek samen die Thomassen in haar concurring opinion uitte:
“in principle, the presumption of innocence should be seen as excluding the execution of criminal sanctions before a court has decided on the liability of the person concerned. Otherwise, the right of the individual to have a criminal charge determined by a court could be sapped of any real meaning.”10
Het vertrekpunt van de meerderheid van het Hof is dat de onschuldpresumptie zich in principe tegen dadelijke tenuitvoerlegging niet verzet, tenzij daarvoor goede redenen bestaan. Waarom het niet andersom is en de staat voor de dadelijke tenuitvoerlegging goede argumenten dient aan te dragen, blijft onduidelijk. Het EHRM wijst er weliswaar op dat in sommige partijstaten met betrekking tot sommige sancties dadelijke uitvoerbaarheid voorkomt, maar op grond van die omstandigheid laat het uitgangspunt van Thomassen zich evengoed verdedigen. De verenigbaarheid van de statelijke belangen met het vermoeden van onschuld zou door middel van conservatoir beslag eenvoudig kunnen worden verzekerd.11 Het lijkt in dat licht niet onredelijk van de staat te verlangen dat deze duidelijk maakt om welke met het onschuldvermoeden verenigbare reden conservatoir beslag niet afdoende zou zijn. Het is de vraag of zo’n reden wel bestaat.
Een laatste, meer dogmatisch punt is dat de in casu toegepaste criteria de indruk wekken een gelegenheidsargument te zijn geweest. Het Hof heeft in beide Zweedse zaken eerst moeten beoordelen of het gebruik van bewijsvermoedens binnen reasonable limits bleef. Vervolgens kwam het aan de tenuitvoerleggingskwestie toe. Het Hof overweegt dat ook de dadelijke tenuitvoerlegging binnen redelijke grenzen dient te blijven. Dat resulteert in een proportionaliteitsafweging. Noch voordien, noch sindsdien, heeft het Hof evenwel op enige andere aan de behandelingsdimensie gerelateerde kwestie de reasonable limits-toets toegepast. Meer in het algemeen is de behandelingsdimensie nooit als proportionaliteitskwestie benaderd. De vraag is steeds geweest of een handeling van overheidswege bejegening als schuldige oplevert. De in deze zaken gekozen benadering laat zich niet in dat kader plaatsen.
Gelet op de spaarzaamheid van rechtspraak op dit punt, had de richtlijn aan de rechtsontwikkeling op dit terrein wellicht sturend kunnen bijdragen. Over de dadelijke uitvoerbaarheid van sancties zwijgt deze echter. Ook het VN Mensenrechtencomité heeft zich over de verenigbaarheid daarvan met het onschuldvermoeden nooit uitgelaten.