Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/:6.8.0 Inleiding
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/
6.8.0 Inleiding
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258919:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wetswijziging
Wijziging
Reden invoering
Ontwikkeling rechtspositie
Invoering WW 1987 (19 261)
Het begrip ‘niet-onvrijwillige werkloosheid’ wordt vervangen door ‘verwijtbare werkloosheid’. Verwijtbare werkloosheid is geen ontstaansvoorwaarde, waardoor de sanctie van een maatregel, eventueel verminderd met verzachtende omstandigheden, kan worden opgelegd.
Het begrip wordt gewijzigd, omdat het beter zou aansluiten bij het huidige taalgebruik en een dubbele ontkenning voorkomt. Doordat verwijtbare werkloosheid geen ontstaansvoorwaarde meer was, kon een maatregel worden opgelegd. Het recht op de uitkering was wel ontstaan bij verwijtbare werkloosheid, maar kon niet geldend worden gemaakt.
De rechtspositie van de WW’er is verbeterd, omdat het voorkomen van verwijtbare werkloosheid geen ontstaansvoorwaarde meer is (verruiming van de poort) en de evenredigheidseis bij het opleggen van een maatregel van belang is.
Invoering Wet Boeten 1 augustus 1996 (23 909)
Verruiming van het begrip ‘verwijtbare werkloosheid’ doordat bij beëindiging van de dienstbetrekking (en niet alleen bij ontslag) de werknemer verwijtbaar werkloos kon zijn. De verwijtbare gedraging moest voorzienbaar de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg hebben. De situatie dat de werknemer instemt met, berust in of meewerkt aan de beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever, terwijl aan de voorzetting geen bezwaren van dien aard zijn verbonden dat het doorwerken niet van de werknemer gevergd zou kunnen worden, heeft tot de zogenaamde pro-formaproblematiek geleid.
Er mocht geen onnodig beroep worden gedaan op de WW. Het volume van de WW-uitkeringen moest worden teruggedrongen en de rechtmatigheid bij de uitkeringsverstrekking moest worden verbeterd. De mate van laakbaarheid van de gedraging maakte niet uit voor het opleggen van de maatregel bij verwijtbare werkloosheid. De evenredigheidseis was reeds toegepast door het kabinet, en hoefde daardoor niet meer achteraf aan verwijtbaarheid te worden getoetst.
Verruiming van het begrip, waardoor toegang tot de WW werd beperkt, en tevens de maatregel grotendeels van evenredigheidseis werd ontdaan (zie hoofdstuk 4) leidde tot een verslechtering van de rechtspositie. Ook de pro-formaprocedures bij verwijtbare werkloosheid zorgden voor een onduidelijke en kostbare ontslagprocedure.
Wet wijziging WW-stelsel 1 oktober 2006(30 370)
Beperking van het begrip verwijtbare werkloosheid door bij de a-grond van artikel 24 lid 1 sub a verwijtbare werkloosheid te koppelen aan een ontslag op grond van een verwijtbare dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW.
Beperking van de verwijtbaarheidstoets moest leiden tot een vermindering van de belasting van de rechterlijke macht en de uitvoeringsorganen door afname van de pro-formaprocedures.
De toegang tot de WW werd verruimd door beperking van het verwijtbare-werkloosheidsbegrip. Dit leidde tot een verbetering van de rechtspositie. Het evenredigheidsbeginsel werd in acht genomen door de koppeling aan het begrip een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW en de nadrukkelijke vermelding van de verwijtbaarheid van de werknemer.