Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/4.5.2
4.5.2 Intercompany schulden
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250219:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Almelo 24 juni 2008, JOR 2008/227, m.nt. Bartman (Hoeveholding).
Rb. Almelo 24 juni 2008, JOR 2008/227, m.nt. Bartman (Hoeveholding), r.o. 6.
Rb. Rotterdam 16 april 2009, JOR 2009/161, m.nt. Van der Zanden (BosGijze/Jones Lang LaSalle), r.o. 5.3.1-5.3.2, Hof Amsterdam (OK) 12 januari 2010, JOR 2010/94, m.nt. Bartman (Hoeveholding), r.o. 3.5 en Hof Amsterdam (OK) 30 september 2010, JOR 2010/306, m.nt. Bartman (Jones Lang LaSalle/BosGijze), r.o. 3.16.
Niels 2010, p. 35-36, M.J. Janssen 2010, p. 115 en Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 218.
Hof Amsterdam (OK) 12 januari 2010, JOR 2010/94, m.nt. Bartman (Hoeveholding), r.o. 3.5.
Ik merk op dat het mogelijk is dat indien een groepsmaatschappij inzicht heeft gehad in de interne financiële gegevens van de 403-maatschappij, het beroep van de groepsmaatschappij op de 403-verklaring onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ex art. 6:2 BW. Dit is mijns inziens bijvoorbeeld het geval als vast komt te staan dat de groepsmaatschappij voorafgaand aan het aangaan van een overeenkomst met de 403-maatschappij bewust inzage heeft gekregen in deze financiële gegevens en ook gedurende de looptijd van de overeenkomst op de hoogte is gehouden met actuele cijfers.
Een intercompany schuld is een schuld die de 403-maatschappij heeft tegenover een groepsmaatschappij. De vraag of een dergelijke schuld onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt, is voor het eerst aan de orde gekomen bij de Rechtbank Almelo in de Hoeveholding-procedure.1 In casu is de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk gesteld door de curator van een failliete groepsmaatschappij tot nakoming van schulden van de 403-maatschappij aan de failliete groepsmaatschappij. De moedermaatschappij verweert zich met de stelling dat intercompany schulden niet onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid vallen. Volgens haar hoeven alleen – zoals zij het noemt – ‘normale handelscrediteuren’ gecompenseerd te worden voor het niet kunnen inzien van de jaarrekening van de 403-maatschappij. Zij meent dat een groepsmaatschappij die een vordering heeft op de 403-maatschappij niet gecompenseerd hoeft te worden omdat deze binnen de groep – op basis van interne financiële gegevens – inzicht heeft in de financiële positie van de 403-maatschappij. De rechtbank gaat echter niet mee in het betoog van de moedermaatschappij.2 Zij oordeelt dat een groepsmaatschappij erop mag vertrouwen dat de 403-verklaring er ook toe strekt dat de moedermaatschappij aansprakelijkheid aanvaardt voor intercompany schulden. Volgens de rechtbank heeft de 403-aansprakelijkheid niet alleen werking buiten de groep maar ook daarbinnen, en kan een groepsmaatschappij zich daarom onverminderd op de moedermaatschappij verhalen.
Bovenstaand oordeel van de Rechtbank Almelo is later gevolgd door de Rechtbank Rotterdam en tweemaal bevestigd door de OK in het hoger beroep van beide procedures.3 Ook in de literatuur wordt zij eensgezind onderschreven.4 Ik sluit mij daarbij aan. Ik wijs op twee overwegingen van de OK in het hoger beroep van de Hoeveholding-procedure.5 In de eerste plaats is in de tekst van art. 2:403 lid 1 sub f BW, dat een moedermaatschappij zich hoofdelijk aansprakelijk moet stellen voor de uit rechtshandelingen van de 403-maatschappij voortvloeiende schulden, geen beperking te lezen dat intercompany schulden buiten de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid zouden vallen. Daarnaast hebben groepsmaatschappijen binnen de groep niet altijd toegang tot de interne financiële gegevens van de 403-maatschappij. Zeker bij een grote groep met veel groepsmaatschappijen hoeft dit niet altijd het geval te zijn. Het argument dat groepsmaatschappijen per definitie geen gebrek aan inzicht hebben en daarom niet gecompenseerd hoeven te worden, gaat dus niet op. Zij moeten – net als andere crediteuren van wie de schuld uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij voortvloeit – worden gecompenseerd met een aanvullende vordering op de moedermaatschappij van wie zij de geconsolideerde jaarrekening wel kunnen inzien.6