Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.2
10.2 Kinder- en mensenrechtenconforme besluitvorming binnenhet huidige wettelijke kader van voorlopige hechtenis
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij wordt uitgegaan van het besluitvormingsschema voor voorlopige hechtenisbeslissingen, zoals weergegeven in Schema 3.A in hoofdstuk 3, en niet van het ‘alternatieve’ besluitvormingsschema voor beslissingen over de inzet van dwangmiddelen ten aanzien van minderjarige verdachten (vgl. Schema 3.B in hoofdstuk 3), daar de invalshoek van het eerstgenoemde schema het meest aansluit bij de structuur van de huidige Nederlandse wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis van minderjarigen.
Zie paragraaf 4.6. Zie ook paragrafen 7.4 en 7.5.
In hoofdstuk 3 is uit – de in hoofdstuk 2 beschreven – rechtspraak van het EHRM en andere voor de voorlopige hechtenis van minderjarigen relevante Europese en internationale kinder- en mensenrechtenstandaarden een besluitvormingsschema gedestilleerd dat nationale rechters kunnen gebruiken om in jeugdzaken tot kinder- en mensenrechtenconforme voorlopige hechtenisbeslissingen te komen. Hierbij is tevens – als onderdeel van het besluitvormingsschema – een model ontwikkeld voor een kinder- en mensenrechtenconforme belangenafweging. Om op basis van dit besluitvormingsschema een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen te waarborgen, dient dit schema te worden ingepast in het nationale voorlopige hechtenissysteem, waarbij het wettelijke kader in acht wordt genomen en rekening wordt gehouden met het stelsel van instanties en voorzieningen in de nationale context. In deze paragraaf zal stapsgewijs worden aangetoond dat deze inpassing in het Nederlandse systeem in theorie mogelijk zou moeten zijn,1 maar dat de praktijk doorgaans weerbarstiger is. Hierbij zal worden aangesloten bij de systematiek van de Nederlandse wetgeving, waaruit volgt dat in de rechterlijke besluitvorming over de toepassing van voorlopige hechtenis ten aanzien van een minderjarige verdachte de ‘bevelsbeslissing’ en de ‘tenuitvoerleggingsbeslissing’ kunnen worden onderscheiden.2
In deze paragraaf wordt aldus eerst de voorlopige hechtenisbeslissing, bestaande uit respectievelijk de ‘bevelsbeslissing’ (par. 10.2.1) en de ‘tenuitvoerleggingsbeslissing’ (par. 10.2.2), stapsgewijs ontleed. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de beslissing over de opheffing van de schorsing (par. 10.2.3). Duidelijk zal worden dat in elk van deze beslissingen een belangenafweging besloten ligt, waarvoor het in hoofdstuk 3 ontwikkelde model behulpzaam kan zijn (par. 10.2.4). Tot slot wordt ingegaan op de motivering van de voorlopige hechtenisbeslissing (par. 10.2.5).
10.2.1 ‘Bevelsbeslissing’10.2.2 ‘Tenuitvoerleggingsbeslissing’10.2.3 Beslissing over de opheffing van de schorsing10.2.4 Belangenafweging10.2.5 Motivering