Grenzen van het strafrecht in de voorfase
Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/6.1.1:6.1.1 Welke strafbare feiten vallen in de voorfase?
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/6.1.1
6.1.1 Welke strafbare feiten vallen in de voorfase?
Documentgegevens:
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715380:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Smidt 1891b, p. 233. Ook wel: publica fides.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de eerste en tevens belangrijkste bevindingen die de gehanteerde perspectieven opleverde, betrof de vraag wat eigenlijk een voorfasedelict is. Daarover is de nodige discussie mogelijk, zodat dit onderzoek aanving met een initiële werkdefinitie, met als hypothese dat de exacte afbakening van de voorfase per perspectief zou kunnen verschillen (zie §1.5). Of een bepaald delict als voorfasedelict kan worden gekwalificeerd, bleek inderdaad sterk afhankelijk van de vraag wat een voltooid delict is. Op die vraag zijn vanuit verschillende (deels rechtspolitieke en rechtsfilosofische) invalshoeken uiteenlopende antwoorden te geven, zodat het begrip ‘voorfase’ voor verschillende auteurs verschillende betekenissen kan hebben. Vanuit liberaal oogpunt is de voorfase bijvoorbeeld veel omvangrijker dan vanuit communitaristisch oogpunt. Binnen het liberale schadebeginsel zijn immers alle (puur) formeel omschreven opzetdelicten in wezen voorfasedelicten, terwijl vanuit communitaristisch oogpunt juist kan worden betoogd dat veel voorfasedelicten zelfstandig schadelijk zijn, doordat ze bijvoorbeeld angstgevoelens oproepen. Voor beide perspectieven valt het nodige te zeggen. Ter onderbouwing van de stelling dat ook veiligheidsgevoelens rechtsgoederen zijn, kan bijvoorbeeld worden gewezen op een delict als bedreiging (artikel 285 Sr), dat doorgaans als voltooid strafbaar feit wordt gezien. Vanuit liberaal oogpunt zijn veiligheidsgevoelens juist niet geschikt om als rechtsgoed te fungeren, omdat gevoelens veel te subjectief en onbepaald zijn om staatsmacht effectief aan banden te kunnen leggen. Toch blijken veel voorfasedelicten betrekkelijk vage, veelal collectieve rechtsgoederen te beschermen. Denk bijvoorbeeld aan de ‘openbare trouw’, die volgens de wetgever door voorbereiding van vervalsing van geld (artikel 214 Sr) zou worden aangetast.1 Vanuit communitaristisch oogpunt verdienen ook dergelijke collectieve rechtsgoederen bescherming, terwijl vanuit liberaal oogpunt de voorkeur uitgaat naar individualiseerbare rechtsgoederen, die doorgaans veel objectiever en tastbaarder zijn. Het is immers lastig te beoordelen wanneer een gedraging de ‘openbare trouw’ aantast. Als de voorbereiding van vervalsing van geld de openbare trouw aantast, is het niet eenvoudig uit te leggen waarom de ‘gewone’ voorbereiding (artikel 46 Sr) dat niet eveneens doet.
Voor zowel de liberale als de communitaristische afbakeningen van de voorfase valt dus het nodige te zeggen en tegelijk valt er op beide afbakeningen ook het nodige af te dingen. De liberale interpretatie leidt tot een beperkt aantal voltooide delicten (en dus een relatief groot aantal voorfasedelicten) en beschermt primair individuele rechten tegen al te veel overheidsinmenging, maar is niet in staat te verklaren waarom allerlei vage rechtsgoederen in de praktijk wel beschermd worden, terwijl de communitaristische interpretatie dat laatste wel kan verklaren, maar als keerzijde daarvan veel moeite heeft onderscheid te maken tussen voltooide en onvoltooide delicten en tot een groot aantal voltooide delicten (en dus een relatief klein aantal voorfasedelicten) komt. Het is, zonder consistente vigerende visie op strafwaardigheid en daarmee de vraag wat een voltooid delict is, niet mogelijk om vast te stellen welke interpretatie de juiste is, voor zover er ooit een juiste interpretatie van het begrip ‘voorfase’ kan zijn. Onder die omstandigheden is het vooral van belang dat auteurs helder maken wat zij als voltooide delicten beschouwen en welke rechtsgoederen ‘slechts’ secundair bescherming verdienen. In het kader van dit proefschrift is dat gedaan door beginselen steeds vanuit verschillende perspectieven te interpreteren.