Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/4.3.3.2
4.3.3.2 Samenstelling van de Aufsichtsrat
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS392074:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
§§ 95 e.v. en § 278 jo. § 95 e.v. AktG.
Dit volgt uit § 30 Abs. 2 en § 278 Abs. 3 AktG. Deze bepalingen blijven op grond van § 6 Abs. 2 Satz. 2 MitbestG onaangetast.
De mogelijkheid tot het naar boven bijstellen van het aantal leden is afhankelijk van het aandelenkapitaal van de betreffende onderneming (§ 95 AktG).
Henssler (2008), p. 1020 -2021.
Ter motivering wordt verwezen naar § 96 AktG dat de samenstelling van de Aufsichtsrat bepaalt en van welke bepaling op grond van § 23 Abs. 5 AktG niet kan worden afgeweken. Zie o.a. Ulmer & Habersack (2013), p. 68 (§ 1, Rn. 20); Hüffer (2012), p. 524 (§ 96, Rn. 3). Henssler (2008), p. 1024 merkt op dat ook stemovereenkomsten tussen aandeelhouder(s) en werknemers en/of vakbonden rechtens niet houdbaar dan wel afdwingbaar zijn.
Volgens Hanau (2001), p. 89 kent het AktG geen verbod tot uitbreiding van de medezeggenschap. Volgens hem bepaalt § 96 Abs. 1 AktG slechts dat bij toepassing van medezeggenschap de Aufsichtsrat uit vertegenwoordigers van aandeelhouders- en werknemers moet bestaan zonder dat een concrete verdeling wordt genoemd. Hier kan tegenin worden gebracht dat de wettelijke samenstelling van de Aufsichtsrat op basis van het DrittelbG onderdeel uitmaakt van § 96 AktG en dat § 23 Abs. 5 AktG afwijking van de wettelijke samenstelling verbiedt.
Ulmer & Habersack (2013), p. 69-70 (§ 1, Rn 23); Oetker (2011), p. 1823 (Einführung, Rn. 8).
Henssler (2008), p. 1026; Hanau (2001), p. 93.
Dit is bepaald in § 100 AktG dat op de leden van zowel werknemers- als aandeelhouderszijde betrekking heeft. Abs. 2 kent een aantal beperkingen. Een persoon kan bijvoorbeeld in niet meer dan tien handelsmaatschappijen in de Aufsichtsrat deelnemen.
Raiser & Veil (2009), p. 585 (§ 4, Rn. 12).
Overtreding van dit voorschrift tast de rechtsgeldigheid van de verkiezingen niet aan. Zie Dieterich, Hanau & Schaub (2011), p. 1835 (§ 4, Rn. 11); Raiser & Veil (2009), p. 585 (§ 4, Rn. 15).
Een vennootschap die onder het DrittelbG valt, is verplicht een Aufsichtsrat in te stellen. Deze bepaling heeft slechts voor de GmbH aanvullende betekenis. De AG en KGaA zijn reeds tot instelling verplicht op grond van het AktG.1 Indien een vennootschap ondanks de wettelijke verplichting geen Aufsichtsrat instelt, kunnen de (centrale) ondernemingsraad en 1/10 van de werknemers of een absoluut aantal van honderd werknemers een verzoek tot instelling indienen bij de rechtbank (§ 104 AktG). Een bijzonderheid doet zich voor bij de oprichting van een AG of KGaA. In dat geval worden de leden van de Aufsichtsrat voor het eerste jaar gekozen door de algemene vergadering, ongeacht de toepasselijkheid van het DrittelbG.2
De grootte van de Aufsichtsrat blijkt uit § 95 AktG. Het DrittelbG verklaart deze bepaling op de GmbH van overeenkomstige toepassing. De Aufsichtsrat telt in de regel drie leden. De vennootschap kan de omvang in de statuten op een hoger aantal vaststellen, met dien verstande dat het aantal leden altijd door drie deelbaar moet zijn en nooit hoger dan 21 kan zijn.3 Het DrittelbG schrijft dwingend voor dat de Aufsichtsrat voor een derde uit werknemersvertegenwoordigers bestaat. Afwijking ten nadele van de werknemers is niet mogelijk.4 De meerderheid van de auteurs is van oordeel dat het AktG voor de AG en KGaA evenmin een uitbreiding van de medezeggenschap toestaat.5 Een enkele auteur huldigt een andere opvatting.6 Of binnen een GmbH een uitbreiding van medezeggenschap tot de mogelijkheden behoort, is omstreden. Tegen uitbreiding spreekt dat het DrittelbG voor de samenstelling verwijst naar § 96 AktG en dat de mogelijkheid tot afwijking bij de statuten niet in het DrittelbG kan worden gelezen.7 Aan de andere kant kan men stellen dat het GmbHG – anders dan het AktG – geen verbod tot afwijking bij de stauten of bij overeenkomst kent en dat ook verder niet blijkt dat het DrittelbG een uitbreiding van het aantal werknemersvertegenwoordigers in de weg staat.8
Alle leden van de Aufsichtsrat dienen handelingsbekwame natuurlijke personen van ten minste achttien jaar te zijn.9 Voor de leden van werknemerszijde geldt aanvullend dat ten minste twee leden een jaar in de onderneming werkzaam moeten zijn. Dit houdt in dat slechts bij meer dan twee werknemersvertegenwoordigers (en dus een Aufsichtsrat van negen of meer leden) personen van buiten de onderneming als werknemersvertegenwoordiger mogen optreden. Dit kunnen vakbondsleden, werknemers van buitenlandse dochtervennootschappen of leden van de Europese ondernemingsraad zijn, maar ook leitende Angestellte.10 Deze laatste groep is geen werknemer in de zin van het DrittelbG en wordt daarom niet beschouwd als werkzaam in de onderneming. Daarnaast stelt het DrittelbG als aanvullende voorwaarde dat de werknemersvertegenwoordigers representatief moeten zijn verdeeld naar verhouding van de mannelijke en vrouwelijke werknemers in de onderneming.11