Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.3.2.2
12.3.2.2 Toerekeningsnorm?
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370018:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aandeelhouders hebben volgens art. 2:118 lid 1 BW stemrecht.
Bij rechtspersonen leidt dit tot problemen omdat de bestuurders van een rechtspersoon het stemrecht “kunnen uitoefenen” in de zin van de definitie van overwegende zeggenschap van art. 1:1 Wft. In dat geval zouden er twee biedplichten ontstaan, hetgeen onwenselijk moet worden geacht, zie hierna § 12.3.2.4 sub III.
Zie daarover De Witt Wijnen 1994, p. 21 en Van der Grinten 1988, p. 467.
Kamerstukken I, 2006/07, 30 419, B, p. 3.
Kamerstukken I, 2006/07, 30 419, C, p. 3. Zie voor een enigszins afwijkende formulering hiervan ook Handelingen I, 2006/07, 30, p. 919.
Dat volgt reeds uit de verplichting tot teruggave van art. 7:600 BW. Zie ook Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012/22.
Aangezien de wetgever in dit verband uitgaat van eigendomsverkrijging, moet worden aangenomen dat het om de Wft-bewaarder gaat. Nog een argument is dat de Minister meent dat bewaarnemers, voorzover zij het stemrecht niet naar eigen goeddunken kunnen uitoefenen, ook niet de plicht hebben om zeggenschapsmeldingen te doen (Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 3, p. 29). Hiermee is klaarblijkelijk gedoeld op de enkel voor bewaarders in de zin van art. 1:1 Wft geldende uitzondering van de meldingsplicht van art. 5:46 lid 2 sub a Wft.
Vooropgesteld zij dat de aandeelhouder als eigenaar van het onderliggende aandeel in beginsel zelf het stemrecht “kan uitoefenen” in de hier bedoelde zin.1 ,2 Gaat het om aandelen aan toonder dan kan ook degene die het toonderbewijs onder zich heeft het stemrecht uitoefenen; of hij ook als aandeelhouder moet worden aangemerkt, is niet van belang.3 In deze gevallen is geen sprake van toerekening van stemrechten. Daarnaast echter kan men zich afvragen of ook anderen dan de rechthebbenden op de aandelen stemrechten “kunnen uitoefenen” in de zin van de overwegende zeggenschap- definitie van art. 1:1 Wft. Dat is wel een vraag van toerekening.
Op basis van de parlementaire geschiedenis moet toerekening langs deze weg voor mogelijk gehouden worden. In de Eerste Kamer werd de vraag gesteld of een grootcertificaathouder biedplichtig kan zijn in het geval dat een stemvolmacht in “oorlogstijd” wordt beperkt, uitgesloten of herroepen ex art. 2:118a lid 2 BW.4 De Minister antwoordde:
“Bij het antwoord op de vraag of, in juridische zin, sprake is van ‘overwegende zeggenschap’als gevolg waarvan de biedplicht ontstaat gaat het in de kern dus om de vraagof (eventueel door een stemvolmacht) ten minste 30 procent van het stemrecht kan wordenuitgeoefend. Indien een administratiekantoor, op vrijwillige basis, besluit om onderalle omstandigheden en onbeperkt stemvolmachten te verlenen, dan moet een (groot)certificaathouder die een zodanig aantal certificaten heeft verworven dat daarmee tenminste 30 procent van het stemrecht kan worden uitgeoefend, worden geacht overwegendezeggenschap te hebben verworven en ontstaat voor deze (groot)certificaathouderde biedplicht. Kan een (groot)certificaathouder echter niet het stemrecht bij volmacht uitoefenen omdat het administratiekantoor besluit tot beperking, uitsluiting of herroeping van de stemvolmachten, dan is geen sprake van het kunnen uitoefenen van (ten minste 30 procent van) het stemrecht en ontstaat er ook geen biedplicht voor deze (groot)certificaathouder.”5
Voor de volledigheid wijs ik ten slotte op een ander, maar minder duidelijk aanknopingspunt. Er geldt een vrijstelling voor de bewaarnemer van aandelen, die de aan de in bewaring gekregen aandelen verbonden stemrechten niet naar eigen goeddunken kan uitoefenen (art. 5:71 lid 1 sub j Wft). Klaarblijkelijk is de gedachte dat een bewaarnemer die dat wel kan biedplichtig is. Betoogd kan worden dat nu hier wordt gesproken van bewaarneming, er geen sprake is van eigendomsverkrijging6 en mogelijk wel van toerekening via het element “kunnen uitoefenen”. Echter, naar alle waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat de vrijstelling in weerwil van de letterlijke tekst slechts ziet op de Wft-bewaarder zoals gedefinieerd in art. 1:1 Wft, waarbij wel sprake is van eigendomsverkrijging.7