Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.5.4
3.5.4 Goed koopmansgebruik en herwaarderen op hogere bedrijfswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345524:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
T.a.p.
HR 10 maart 1993, nr. 28 139, BNB 1993/196 met noot van P. den Boer.
Zonder dit met zoveel woorden te zeggen geldt dit in zijn visie ook voor maatregelen ter voorkoming van WIR-verdamping.
R.P. van den Dool, Fiscale winst en stelselwijziging, TFO nr. 10, december 1993, blz. 221.
H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht, onderdeel Inkomstenbelasting, Waardering op hogere bedrijfswaarde, 2.2.15.D,c.2, blz. 473-474, suppl. 229 (maart 1995).
J.Ch. Caanen, Enige beschouwingen over goed koopmansgebruik, TFO nr. 22, december 1995, blz. 223.
De ondernemer.
Besluit staatssecretaris van Financiën 1 maart 1996, nr. 563DGM5, BNB 1996/198.
Zonder dat daarbij een eerdere afwaardering op lagere bedrijfswaarde ongedaan wordt gemaakt.
Persbericht Financiën 20 december 1982, nr. W 323.
Zonder dat daarbij in het verleden een afwaardering op lagere bedrijfswaarde heeft plaatsgevonden.
De Bont1 postuleert dat een stelsel van winstbepaling waarin op hogere bedrijfswaarde wordt gewaardeerd (indien compensabele verliezen dreigen te verdampen) in overeenstemming is met de eisen van goed koopmansgebruik. Op basis van BNB 1993/ 1962 komt hij tot de conclusie dat het geoorloofd is om, binnen (nationaal) concernverband, maatregelen te treffen om verliesverdamping te voorkomen zonder daarbij in strijd te komen met doel en strekking van de wet.3
Met betrekking tot de hiervoor beschreven voorzichtigheid zegt De Bont: `Ook het voorzichtigheidsbeginsel kan de belastingplichtige niet worden tegengeworpen, aangezien de Hoge Raad aan dit beginsel geen waarde lijkt te hechten indien de winstneming de liquiditeitspositie van de onderneming niet nadelig beïnvloedt.' Andere pleitbezorgers voor een waardering op hogere bedrijfswaarde zijn Van den Dool 4, Mobach / Sillevis5 en Caanen6. Deze laatste schrijft: 7
ij mag voorzichtig zijn, hij is daartoe niet verplicht.'
Al deze fiscalisten hebben mij niet van de juistheid van een waardering op hogere bedrijfswaarde kunnen overtuigen. Door te herwaarderen op hogere bedrijfswaarde zonder dat er in het verleden een corresponderende afwaardering heeft plaatsgevonden, wordt er winst genomen die in het geheel niet is gerealiseerd. Het desbetreffende activum is immers niet verkocht en er is zodoende ook geen vordering ontstaan. Zou men in dit geval nu herwaarderen op hogere bedrijfswaarde dan is er sprake van een vorm van winstanticipatie. De Bont c.s. gaan van de foutieve veronderstelling uit dat bij deze bate ontstaan uit herwaardering, het voorzichtigheidsbeginsel opzij gezet zou kunnen worden. Zoals hiervoor onder 3.5.3 betoogt staat het begrip bedrijfswaarde geheel in het teken van het realiteitsbeginsel. Het herwaarderen van een activum op hogere bedrijfswaarde heeft niets met het voorzichtigheidsbeginsel te maken. Dit beginsel speelt uitsluitend een rol bij baten uit normale ondernemingsactiviteiten (handelstransacties) en de vraag of het resultaat uit verkoop ook volledig als gerealiseerd moet worden aangemerkt.
Er is nog een argument waarom deze wijze van herwaarderen dient te worden afgewezen. Zij is in het geheel niet te rijmen met waarderen op lagere bedrijfswaarde als representant van de minimumwaarderingsregel (het zogenaamde Niederstwertprinzip).
Maar misschien nog het allerbelangrijkste en overtuigendste aspect dat pleit tegen herwaarderen van een activum op hogere bedrijfswaarde, is het beginsel van de realiteitszin. Zoals reeds hiervoor in 3.5.3 aangegeven betekent de realiteitszin dat willekeurige winstverschuivingen naar andere jaren niet toegestaan zijn. En dit is nu precies hetgeen er gebeurt bij de herwaardering van een activum op hogere bedrijfswaarde. Op die manier ontstaat winst welke geen enkele band heeft met het desbetreffende jaar (de jaarband ontbreekt) en ook niet opgeroepen wordt door de bedrijfsuitoefening van dat jaar. Niet de realiteit is hierbij de basis maar pure willekeur. Weliswaar kan men hetzelfde effect bereiken door activa te vervreemden aan een (eventueel speciaal daartoe opgerichte) niet-fiscaal gevoegde concernvennootschap, maar deze daadwerkelijke vervreemding van activa is nu eenmaal iets geheel anders dan een herwaardering sec.
Overigens heeft op 11 april 1996 de staatssecretaris8 zonder redengeving ten aanzien van waardering van een activum op hogere bedrijfswaarde9 een negatief standpunt ingenomen.
Dit standpunt is op zijn minst opmerkelijk wanneer wij dit vergelijken met het antwoord van de toenmalige staatssecretaris Koning van Financiën op vragen van het Tweede Kamerlid Kombrink over opwaardering van onroerend goed (thans onroerende zaken)10. De staatssecretaris schrijft onder meer: 'Opwaardering vindt plaats indien binnen een eenmaal door een belastingplichtige gekozen stelsel goed koopmansgebruik daartoe dwingt. Een opwaardering kan derhalve op zich zelf niet ten doel hebben een genoten fiscale faciliteit "in haar initiële effect" geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken. Wel kan een belastingplichtige bij de keuze van een stelsel van waardering, waarbinnen opwaardering onder bepaalde omstandigheden geboden is, wellicht dit doel voor ogen hebben gestaan. De fiscus kan deze keuze echter slechts toetsen aan de normen van goed koopmansgebruik.'
Dat goed koopmansgebruik dwingt tot de opwaardering van een activum11 doet zich mijns inziens niet voor. Nog niet gerealiseerde waardestijgingen van bijvoorbeeld voorraden behoeven niet verplicht tot het resultaat van belanghebbende te worden gerekend. Waardering boven kostprijs is bij voorraden alleen dan toelaatbaar — niet verplicht — indien deze door natuurlijke groei of rijping in waarde stijgen, bijvoorbeeld de wijnvoorraad van een wijnhandelaar. Naar mijn mening dient dit standpunt van de staatssecretaris dan ook primair te worden gezien tegen de achtergrond van vermeende fiscale constructies van de toenmalige minister-president Lubbers. Eem gemotiveerde onderbouwing van de door de staatssecretaris in zijn persbericht ingenomen standpunten wordt echter node gemist.
Mijn conclusie luidt dat herwaarderen op hogere bedrijfswaarde in strijd is met goed koopmansgebruik, in het bijzonder met het realiteitsbeginsel.