Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/9.2.3.5:9.2.3.5 Doorstortplicht en benadeling
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/9.2.3.5
9.2.3.5 Doorstortplicht en benadeling
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186814:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.5.7.5, 6.6.3 en 9.2.2.6.
Een faillissement van de junior kan verhinderen dat de junior de doorstortplicht nakomt. Zie par. 6.6.3. Vanwege de vaak nauwe verbondenheid tussen de junior en de schuldenaar is de kans aanzienlijk dat tijdens een faillissement van de schuldenaar de junior ook failliet is.
Zie daarover par. 9.2.2.6 en 6.6.3.2.
Zie nader par. 9.2.2.6.
Zie verder par. 9.2.2.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
634. Een oneigenlijke achterstelling kan de senior helpen om benadeling door de vestiging of uitwinning van zekerheidsrechten voor de juniorvordering te voorkomen. Een doorgaans effectief middel daarvoor is een doorstortplicht opgenomen in de achterstellingsovereenkomst.1 Die kan de junior verplichten om het deel van de executie-opbrengst dat de junior ontvangt na uitwinning van zijn zekerheidsrechten af te staan aan de seniorschuldeiser.2 Een doorstortplicht kan ook voortvloeien uit de wet.3
Verder kan een oneigenlijke achterstelling gevolgen hebben voor de toetsing van de vestiging van de zekerheidsrechten aan de actio Pauliana.4 Als de achterstellingsovereenkomst aan de juniorvordering een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde verbindt, dan is de juniorvordering een niet-opeisbare schuld in de zin van artikel 43 lid 1 sub 2 Fw. Zijn voor die vordering zekerheidsrechten gevestigd binnen een jaar voor de faillietverklaring zonder dat daartoe eerder een verplichting bestond dan wordt vermoed dat de schuldenaar en de juniorschuldeiser wisten dat die vestiging de overige schuldeisers zou benadelen. De curator hoeft de wetenschap van benadeling dan niet aan te tonen, tenzij de junior of de schuldenaar dat vermoeden ontkracht.5