Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/5.3.6
5.3.6 Graad van vervanging
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624009:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Sagaert 2003, p. 357-362 en 542; Cuypers, Artikelsgewijze commentaar 10 HypW, onder 111.E: 'In de rechtsleer vindt men doorgaans verdedigd dat zaaksvervanging niet beperkt is tot de eerste graad, maar dat een zakelijk recht verschillende vervangingen kan overleven.'
Zie ook Sagaert 2003, p. 358: 'De beperking tot de eerste graad is daarom veeleer van feitelijke aard dan van juridische aard.'
Zie hierover par. 5.2.3.
Eerst wordt het oorspronkelijke goed namelijk vervangen door een koopsomvordering en vervolgens wordt deze vordering vervangen door het geïnde.
Met deze laatste mogelijkheid motiveert Langemeijer een beperking van de door hem voorgestane bescherming door zaaksvervanging bij derdenbescherming, zie Langemeijer 1927, p. 151: 'Een verdere vervanging dan in den eersten graad zou daarentegen te ver in de belangen van de bezitters te goeder trouw ingrijpen.'
Zie ook Kleijn (noot onder HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285): 'De Hoge Raad lijkt hier te kiezen voor een opvatting die […] strookt met de zaaksvervangingsleer, te weten (zie rov. 3.3): […] als er nieuwe goederen met dit geld worden aangeschaft vallen deze goederen weer in het vruchtgebruikvermogen.'
Zie par. 5.2.3.
In uitzonderlijke gevallen kan een tweede vervanging zich voordoen, bijvoorbeeld wanneer de eerste vergoedingsvordering voortvloeit uit art. 6:74 BW, de schuldenaar failleert en de zekerheidsgever zich tegen dit risico met een insolventierisicoverzekering heeft verzekerd. Vgl. Hof Den Bosch 19 januari 2000, NJ 2000, 611 (Volmerink/FMN) en hetgeen hierover in par. 5.2.2 is opgemerkt.
Zie hierover echter ook par. 5.2.2.
Vgl. art. 1:94 lid 4 en 1:95 lid 1 (nieuw) BW, waarover EK 2008-2009, 28 867 A, p. 3.
Hammerstein (1977, p. 110) neemt aan dat deze bepaling ook voorziet in zaaksvervanging bij inning van de vergoedingsvordering, tenzij het ontbreken van individualiseerbaarheid van het ontvangene roet in het eten gooit.
Zie hetgeen hierboven onder 5.2.3 is opgemerkt naar aanleiding van HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN).
Vgl. Sagaert 2003, p. 609, die spreekt van de koopprijs als eerstegraads vervanging.
175.
Het laatste gevolg van zaaksvervanging dat aandacht verdient, is de vraag of op een eerste vervanging nieuwe vervangingen kunnen volgen. Anders geformuleerd: is zaaksvervanging beperkt tot de eerste graad of kan een in beginsel eindeloze reeks ontstaan? Uitgangspunt bij beantwoording van deze vraag is dat elke vervanging op zich moet worden gezien als een toepassing van zaaksvervanging, zodat ook steeds aan alle vereisten hiervoor moet zijn voldaan. De vraag wordt hierna van twee kanten benaderd. Eerst wordt geprobeerd een algemeen antwoord te formuleren door te kijken of zaaksvervanging als rechtsfiguur al dan niet principieel tot een aantal vervangingen is beperkt, waarna deze vraag per bestaand geval wordt bekeken.
176.
In de principiële benadering staan de ratio en de methode wederom centraal. De ratio van bescherming van de aanspraken van (deels) goederenrechtelijke aard van betrokkenen leidt niet tot een beperking van het aantal vervangingen, anders dan dat elke opvolgende wijziging van object uitsluitend tot verkrijging van vervangende rechten kan leiden, als dit een ongerechtvaardigde verarming en daarmee samenhangende verrijking voorkomt.1 Het surrogaat uit de eerdere schakel kan hiertoe in de volgende schakel als oorspronkelijk goed worden aangemerkt en deze stap kan in beginsel tot in het oneindige worden herhaald.
De methode verzet zich ook niet fundamenteel tegen opvolgende vervangingen, mits een surrogaat aanwijsbaar is waarop het vervangende recht kan komen te rusten.2 Het ontbreken van een geschikt surrogaat verhindert opvolgende vervangingen op dezelfde wijze als dit een eerste vervanging verhindert. In het uitzonderlijke geval dat een erf teniet zou gaan en hiervoor een vordering tot vergoeding in de plaats treedt, kan de voormalige rechthebbende van een erfdienstbaarheid op dit perceel zich om die reden niet op art. 5:76 BW beroepen. Hetzelfde geldt voor beperkingen van mogelijke surrogaten die door de betreffende wettelijke bepaling zijn ingegeven. Art. 3:229 BW is bijvoorbeeld alleen van toepassing op vorderingen tot vergoeding, waardoor dit artikel niet kan worden gebruikt als voor het oorspronkelijke goed een ander soort goed in de plaats komt. Dit is echter geen beperking die specifiek opvolgende vervangingen betreft, maar geldt in alle gevallen waarin in een dergelijk geval aan zaaksvervanging wordt gedacht.
De grootste belemmering bij het in het algemeen accepteren van opvolgende vervangingen wordt mogelijkerwijs opgeworpen door de in dit hoofdstuk als aanvullende eis gestelde wettelijke grondslag. Opvolgende vervangingen verschillen in hun gevolgen niet wezenlijk van de eerste vervanging die ten aanzien van het oorspronkelijke goed optreedt, dus moet ook daarbij steeds zijn voldaan aan de eis van een aanwijsbare wettelijke grondslag. De consequentie van deze eis is beperkt, indien men bereid is elke bepaling te zien als een weergave van de wens van de wetgever een gerechtigde door middel van zaaksvervanging te beschermen en hieraan de aanname wordt gekoppeld, dat de aan een specifiek artikel ten grondslag liggende beschermingsgedachte maakt dat het artikel tevens voldoende wettelijke basis geeft voor de voor adequate bescherming noodzakelijke opvolgende vervangingen. In het algemeen kan deze regel mijns inziens echter niet worden gehanteerd. Opvolgende vervangingen moeten steeds als nieuwe zaaksvervanging worden bekeken en daarvoor moet een wettelijke bepaling bestaan die dit mogelijk maakt. Wel kan eventueel door extensieve interpretatie van de bepaling waarop de eerste vervanging is gebaseerd, mogelijkerwijs een grondslag worden geboden voor een opvolgende vervanging.
Het bestaan van een afzonderlijke regel voor herbeleggingen kan hierbij een argument leveren. Herbeleggingsregels, zoals art. 3:214 BW, geven met name een regel voor de verdeling van bevoegdheden en bevatten vaak zelf geen bepaling van zaaksvervanging. Zo moet bij vruchtgebruik de rechtshandeling die noodzakelijk is voor de verplichte herbelegging, weer voldoen aan art. 3:213 BW, wil de herbelegging van rechtswege gepaard gaan met het behoud van de bestaande rechtsverhoudingen tussen hoofdgerechtigde en beperkt gerechtigde. Het bestaan van een verplichting tot herbelegging is echter vaak mede opgenomen ter bescherming van andere goederenrechtelijk gerechtigden en dan is het aannemelijk dat deze betrokkenen hun rechten ook na de herbelegging moeten kunnen blijven uitoefenen.
Een ruime interpretatie van zaaksvervangingsbepalingen ten opzichte van latere verkrijgingen kan niet worden verdedigd, indien de wetgever te kennen heeft gegeven slechts een beperkte bescherming te bieden, zoals in de hiervoor aangehaalde artikelen van de Belgische Faillissementswet. In art. 103 lid 2 BFw is de bescherming uitdrukkelijk beperkt tot de eerste graad, waarin een zaak is vervreemd en hiervoor een vordering tot betaling van de koopsom in de plaats is getreden. Wanneer deze vordering wordt nagekomen, en voor de tweede keer een wijziging in het object van een recht optreedt, wordt zaaksvervanging afgewezen.3 Hetzelfde geldt voor toepassing van art. 61 Fw, waarbij de vervanging beperkt is tot de tweede graad.4 Nu zaaksvervanging een instrument is dat de wetgever in kan zetten, is het zeker mogelijk dat hierbij beperkingen worden opgelegd, bijvoorbeeld om al te gecompliceerde situaties te voorkomen of rekening te houden met de belangen van derden.5
Het uitgangspunt dat naar ratio en methode zaaksvervanging onbeperkt kan optreden, wordt dus op verschillende punten genuanceerd. Bij elke schakel in de vervangingsketen moet zijn voldaan aan de eisen voor zaaksvervanging die hierboven in paragraaf 5.2 zijn opgesomd en dat brengt mee dat in specifieke gevallen het optreden van opvolgende vervangingen is uitgesloten. In het navolgende wordt daarom per artikel gekeken in hoeverre de bestaande regels van zaaksvervanging, zoals die in het tweede hoofdstuk zijn geïnventariseerd, een beperking van het aantal vervangingen inhouden.
177.
Art. 3:213 BW bevat een ruime bepaling van zaaksvervanging die van toepassing is op alle vergoedingsvorderingen, alle gevallen waarin bevoegd over een goed wordt beschikt en al hetgeen wordt ontvangen door inning van vorderingen. De wetgever heeft de hoofdgerechtigde willen beschermen in de diverse gevallen waarin de vruchtgebruiker gebruik maakt van de hem door de wet en/of de insteller van het vruchtgebruik toegekende bevoegdheden. Deze bevoegdheden kunnen mede omvatten het herbeleggen van verkregen middelen op grond van het eerder genoemde art. 3:214 BW. Zolang de vruchtgebruiker zijn boekje niet te buiten gaat, wordt de positie van de hoofdgerechtigde hierbij door zaaksvervanging beschermd.6 Deze bescherming strekt zich uit over verschillende schakels en een lange keten van opvolgende vervangingen is zeker denkbaar. Dat dit de afwikkeling van het vruchtgebruik bijvoorbeeld bij overlijden van de vruchtgebruiker compliceert, is geaccepteerd.
Bij onbevoegd beschikken biedt deze bepaling echter geen bescherming. Hoewel bij de aan de gegeven beperking van zaaksvervanging ten grondslag liggende afweging vraagtekens kunnen worden geplaatst,7 moet worden aangenomen dat de keten wordt onderbroken als de vruchtgebruiker onbevoegd handelt. In dat geval is niet voldaan aan de eisen die art. 3:213 BW stelt aan zaaksvervanging. Van een beperking die zuiver de graad van de vervanging betreft, is echter geen sprake. Hetzelfde geldt voor de bepaling van zaaksvervanging voor het fideicommis, nu art. 4:138 lid 2 BW de regels van vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing verklaart.
178.
Bij de zaaksvervangingsbepalingen bij zekerheidsrechten dienen zich meer beperkingen aan. De zekerheidsnemer krijgt een vervangend pandrecht op vorderingen tot vergoeding op grond van art. 3:229 BW. Deze vervanging is naar haar aard in beginsel beperkt tot de eerste graad.8 De voor de hand liggende tweede vervanging, waarbij de vergoedingsvordering wordt voldaan, kan niet op hetzelfde artikel worden gestoeld. Het surrogaat is dan immers geen vergoedingsvordering en de aanleiding voor de vervanging valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. De pandhouder hoeft hier echter niet te vrezen, nu art. 3:246 lid 5 BW een tweede regel van zaaksvervanging geeft die specifiek van toepassing is op de inning van verpande vorderingen. Hierbij moet echter worden aangetekend, dat deze regel uitsluitend toepasbaar is als de pandhouder inningsbevoegd is op grond van het eerste lid van dit artikel en het pandrecht dus aan de schuldenaar van de verpande vordering is meegedeeld. Ook deze vervanging is, gezien de formulering van de regel, tot de eerste graad beperkt. Het is niet aannemelijk dat de wetgever hier een ruimere strekking voor ogen had, nu de zekerheid die de pandhouder wenst door het geïnde wordt geboden. Zeker als het geïnde geld is, is een eventueel verhaal op een later tijdstip erg eenvoudig. Wanneer pandhouder en pandgever een herbeleggingsregel overeenkomen, kunnen zij zich bij de uitvoering hiervan niet op zaaksvervanging beroepen. Vervangende goederen dienen, eventueel door middel van vertegenwoordiging, door de zekerheidsgever te worden verkregen, waarna de gewenste zekerheidsrechten via de regels van art. 3:98 jo art. 3:84 BW moeten worden gevestigd.
De in het voorontwerp Iw voorgestelde bepalingen ten aanzien van zaaksvervanging, art. 3.6.8 en 3.6.13 voorontwerp Iw, zien op inning van bezwaarde vorderingen en het ontstaan van vervangende beperkte zekerheidsrechten bij retentierechten. Deze bepalingen zijn ieder beperkt tot een eerstegraads vervanging.
Bij de zekerheidsrechten gebaseerd op een financiëlezekerheidsovereenkomst is de reden voor de beperking tot eerstegraads vervangingen anders. Hier geeft art. 7:53 lid 4 BW een regel die lijkt op zaaksvervanging in het geval de pandhouder vervangende effecten in de zin van art. 7:51 onder e BW overdraagt aan de pandgever. Gezien het specifieke geval waarvoor deze bepaling is geschreven, is het ook hier aannemelijk dat de vervanging beperkt is tot de eerste graad. Vervanging in een verdere graad is hier, evenals bij de bepalingen van het reguliere pandrecht, door de formulering van de betrokken bepalingen en de hieruit af te leiden wens van de wetgever uitgesloten.
179.
De bepalingen van zaaksvervanging uit Boek 2 BW, art. 2:319 en 2:334o BW, zijn ten aanzien van het aantal vervangingen dat op elkaar kan volgen, in beginsel niet beperkt. Deze artikelen hebben weliswaar slechts betrekking op gevallen waarin een vennootschap fuseert of wordt gesplitst, maar deze voorvallen kunnen elkaar opvolgen. Zolang steeds aan de wettelijke eisen is voldaan, kunnen zij samen bij een combinatie van verscheidene fusies en splitsingen tot een flinke vervangingsketen leiden, waarbij de pandrechten en het vruchtgebruik op de betrokken aandelen steeds worden behouden. Van een beperking in de graad van vervanging is geen sprake.
180.
Bij een gemeenschap kunnen wijzigingen optreden in het aantal deelgenoten (verdeling) of in het gemeenschappelijk gehouden goed. In het eerste geval biedt art. 3:177 BW een regel van zaaksvervanging, indien degene die zijn aandeel met een beperkt recht heeft bezwaard, het gemeenschappelijke goed verkrijgt. In dat geval komt het beperkte recht op het goed zelf te rusten en eindigt de gemeenschap ten aanzien van dat goed. Van een reeks vervangingen kan geen sprake zijn. Bij de overdracht van het gemeenschappelijk goed aan een derde of toedeling aan een andere deelgenoot, wordt aangenomen dat het recht van de beperkt gerechtigde eindigt, tenzij een beroep op art. 3:213 of 3:229 BW openstaat.9 Indien dit laatste niet het geval is, is een vervangingsketen uitgesloten.
Bij art. 3:167 BW is het beeld heel anders. Dit artikel beoogt de vermogensverhoudingen tussen deelgenoten in een gemeenschap zoveel mogelijk te continueren wanneer gemeenschappelijke goederen wijzigingen ondergaan. Deze veranderingen kunnen zowel door rechtshandelingen van de betrokkenen als door van buiten komende oorzaken worden veroorzaakt. Deze bepaling heeft gezien de formulering zeker de strekking verschillende malen te worden toegepast en een limiet aan het aantal vervangingen is niet beoogd. Dit is deels anders bij de specifieke bepalingen van art. 1:124 BW. De vervangingsregel van het tweede lid kent, evenals art. 3:167 BW, geen beperking, maar de regel in het derde lid is door de aard van de vervangende goederen wel beperkt.10 Dit deel van de bepaling, evenals art. 3:229 BW, alleen op vorderingen tot vergoeding, met inbegrip van waardeverminderingsvorderingen, hetgeen opvolgende vervangingen in beginsel uitsluit.11 Het samenspel van beide bepalingen maakt een vervangingsketen echter mogelijk, waardoor ook hier moet worden aangenomen dat een beperking van de vervangingen tot een bepaalde graad ontbreekt.
181.
Bij voorrechten en beslag zijn de zaaksvervangingsbepalingen, art. 3:283 BW en art. 455a en 507a Rv, beperkt tot vorderingen tot vergoeding. Aangezien een bepaling die zaaksvervanging mogelijk maakt bij inning van deze vorderingen ontbreekt, moet worden aangenomen dat bij inning, anders dan bij wijze van executie, de rechten van de betrokkenen ophouden. Wanner de schuldeiser echter aan de deurwaarder betaalt, dient dit als een executie te worden aangemerkt en behouden de schuldeisers met een voorrecht en de beslagleggers hun rang bij verhaal ten opzichte van het geïnde. Dit is echter geen voorbeeld van zaaksvervanging.12
182.
Art. 5:8 BW, waarin is geregeld dat een gevonden zaak die bij de gemeente in bewaring is gegeven onder ornstandigheden mag worden verkocht, kent in het vierde lid ook een bepaling van zaaksvervanging. De opbrengst treedt in de plaats van de zaak. Dit is een voorbeeld van een bepaling waarbij kan worden aangenomen dat de wetgever een verdere vervanging niet heeft beoogd. De ratio van de bevoegdheid tot verkoop van hetgeen is gevonden, is immers dat het bezwaarlijk kan zijn gevonden zaken gedurende langere tijd te bewaren en dit bezwaar geldt niet voor de opbrengst, in vrijwel alle gevallen geld. Deze vervanging is dus gezien de ratio beperkt tot de tweede graad (de koopsomvordering is het eerste surrogaat, het ontvangen geld na nakoming het tweede).13
Art. 5:76, 5:114 en 5:146 BW zien alle op registergoederen en wijzigingen van formele aard die hierin kunnen optreden. Een onroerende zaak kan worden gesplitst of verdeeld in appartementsrechten. Deze wijzigingen in de juridische aard en omvang van het registergoed beïnvloeden de hierop rustende beperkte rechten en daarom is in een passende bepaling van zaaksvervanging voorzien. Deze bepalingen zijn weliswaar beperkt in hun reikwijdte, doordat het surrogaat steeds een registergoed moet zijn, maar dit beïnvloedt de mogelijkheid van opeenvolgende vervangingen niet. Een hypotheekrecht kan op een onroerende zaak blijven rusten als een zaak eerst wordt verdeeld in twee percelen, waarna het ene perceel in appartementsrechten wordt verdeeld en deze splitsing later weer wordt opgeheven, ook als dit proces zich daarna nog enkele malen herhaalt. Van een beperking in de graad van de vervanging is geen sprake.
183.
Samenvattend kan worden gesteld dat er geen principiële redenen zijn om het optreden van zaaksvervanging op grond van de ratio of de methode te beperken tot een bepaalde graad. Iedere opvolgende vervanging moet echter wel voldoen aan de eisen die aan elk geval van zaaksvervanging worden gesteld. Zaaksvervanging moet het optreden van een ongerechtvaardigde verrijking voorkomen, er moet een surrogaat aanwezig zijn waarvan de verkrijging causaal samenhangt met de dreigende verarming en er moet een wettelijke grondslag aanwijsbaar zijn. Met name door het laatste vereiste, maar ook door de wens van de wetgever slechts in beperkte mate bescherming te bieden of door het niet voorhanden zijn van een geschikt goed als surrogaat, moet in specifieke gevallen het optreden van opvolgende vervangingen worden afgewezen. Het is aan te bevelen dat de wetgever bij het opnemen van bepalingen van zaaksvervanging duidelijk aangeeft in hoeverre de betreffende bepaling zich Leent voor bescherming verder dan een eerste vervanging.