Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/5.3.2
5.3.2 Eigendomsverkrijging
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624918:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hammerstein 1977, p. 20 en 88.
Zie Hammerstein 1977, p. 88.
Zie ook Sagaert 2003, p. 366.
Ook art. 3:167 BW kan hier in herinnering worden gebracht, nu verkrijging van een aandeel in een goed ook een vorm van (mede-)eigendomsverkrijging inhoudt.
Zie Hammerstein 1977, p. 88.
Zie ook Sagaert 2003, p. 194-195, die stelt dat de zakelijk gerechtigde bij teloorgang van het subjectieve recht pas genoegen moet nemen met een persoonlijk recht als zaaksvervanging is uitgesloten, omdat niet aan alle voorwaarden is voldaan.
Zie Hammerstein 1977, p. 88-89. Vgl. Sagaert 2003, p. 667, die zaaksvervanging binnen restitutieverhoudingen beschouwt 'als een tot op heden onopgemerkte wijze van eigendomsverkrijging'.
Zie ook Sagaert 2003, p. 118: 'Indien de bevoorrechte, pandhoudende of hypothecaire schuldeiser zijn positie in geval van faillissement bijkomend beschermd weet door zaaksvervanging, moet zulks dan niet a fortiori gelden voor de bouder van het meest omvattende zakelijk recht, nl. het eigendomsrecht?'; Jansen 2009, p. 60-61.
Zie Hammerstein 1977, p. 89.
Zie echter wel Hammerstein 1977, p. 89; Perrick 2008, onder 5, die aanneemt dat de vruchtgebruiker bij toepassing van art. 3:213 BW verplicht en bevoegd is de hoofdgerechtigde te vertegenwoordigen.
164.
Een vraag die in het kader van de aard van de vervangende aanspraken beantwoording behoeft, is die of ook eigendomsrechten zich lenen om door middel van zaaksvervanging te worden verkregen. Kan zaaksvervanging leiden tot eigendomsverkrijging? Ondanks de grote voorzichtigheid en het overwegend negatieve antwoord van Hammerstein, luidt mijn antwoord op deze vraag zonder meer bevestigend.1 Ter onderbouwing van deze stelling laat ik hieronder de argumenten die Hammerstein tegen zaaksvervanging bij eigendom heeft aangevoerd, de revue passeren.
Het eerste argument tegen eigendomsverkrijging door zaaksvervanging dat Hammerstein noemt, is dat eigendom van alle rechten naar zijn aard het minst beperkt blijft tot een recht dat ziet op de waarde van een goed alleen.2 Dit argument lijkt gebaseerd op de aanname dat met zaaksvervanging uitsluitend waardebehoud kan worden bereikt en dat andere belangen bij een aanspraak hierdoor niet kunnen worden gewaarborgd. Uit de toepassing van art. 5:76 BW blijkt echter dat met zaaksvervanging ook andere belangen kunnen worden gegarandeerd. De eigenaar van het heersende erf houdt bij splitsing van het dienende erf immers juist ook de praktische en feitelijke bevoegdheden die aan zijn gebruiksrecht zijn verbonden. De veronderstelling dat zaaksvervanging alleen kan worden ingezet ter bescherming van de financiële belangen, is dus niet juist. Dat in andere gevallen uitsluitend waardebehoud wordt bereikt, is daarnaast ook geen reden om zaaksvervanging uit te sluiten. Voor zover andere met een recht verbonden belangen worden aangetast, kunnen hiervoor immers aanvullende schadevergoedingsvorderingen worden toegekend. Wel dient hier de algemene beperking dat zaaksvervanging niet tot een verrijking mag leiden te worden toegepast. Indien zaaksvervanging leidt tot eigendomsverkrijging en dit meer is dan het oorspronkelijke recht, dient deze verkrijging door zaaksvervanging in beginsel inderdaad te worden afgewezen. Dit heeft echter niets te maken met de aard van het eigendomsrecht en zijn geschiktheid als surrogaat in het algemeen.
Het tweede door Hammerstein genoemde argument is dat de bescherming van de eigenaar moeilijk is te rechtvaardigen en dat de eigenaar geen bescherming nodig heeft. Deze tegenwerping ziet mijns inziens over het hoofd dat zaaksvervanging in gevallen waarin geen bescherming nodig is hoe dan ook niet aan de orde is. De ratio van de rechtsfiguur is immers dat bescherming wordt geboden tegen aantastingen die dreigen op te treden buiten toedoen van de rechthebbende. Indien dit zich niet voordoet door zaaksgevolg of de rechthebbende geacht moet worden voor zichzelf te kunnen zorgen, is voor zaaksvervanging geen ruimte.3 Ook voor eigendomsrechten geldt dus dat deze alleen door zaaksvervanging kunnen ontstaan, indien bescherming noodzakelijk is. Een voorbeeld van een geval waarin de eigenaar bescherming behoeft en krijgt, is art. 3:213 BW, dat het eigendomsrecht van de hoofdgerechtigde beschermt bij bevoegd beschikken door de vruchtgebruiker.4 Hammerstein ziet enerzijds in de hiervoor onder 5.2.3 besproken gevallen van bescherming van derden te goeder trouw een uitzondering op het ontbreken van beschermingsnoodzaak, maar acht anderzijds de schadevergoedingsaanspraak jegens de verkoper een voldoende remedie.5 Een verbintenisrechtelijke oplossing voor een goederenrechtelijke aantasting acht ik echter een onnodig schrale troost.6
Hammerstein ziet ook grote bezwaren tegen toepassing van zaaksvervanging als wijze van eigendomsverkrijging, hetgeen het geval zou zijn als men zaaksvervanging in het recht van eigendom zou aanvaarden. In het stelsel van ons recht moet zijns inziens eigendomsverkrijging van rechtswege een uitzondering blijven.7 Aangezien het uitgangspunt van dit proefschrift is dat zaaksvervanging gepaard gaat met het van rechtswege verkrijgen van nieuwe rechten, is het genoemde bezwaar niet meer alleen tegen vervanging bij eigendom gericht. Uit het voorgaande blijkt echter ook dat zaaksvervanging in alle gevallen een uitzondering blijft en dat haar inzet een nadere onderbouwing en uitdrukkelijke afweging vergt. Deze afweging moet in elk afzonderlijk toepassingsgeval worden gemaakt en daarbij kan een rol spelen dat de aard van het te beschermen recht een eigendomsrecht is. Of dit een zwaarwegende factor moet zijn, is mijns inziens echter zeer de vraag. Naar hun aard wijken eigendomsrechten en beperkte rechten nauwelijks van elkaar af. Zij zijn beide absolute rechten die zien op een bepaald goed. Voor een verschillende behandeling bij zaaksvervanging biedt dit geen aanknopingspunten. Uit het verschil dat het beperkte recht is afgeleid uit het meer omvattende moederrecht (eigendom of een andere volledige gerechtigdheid), kan eerder worden afgeleid dat waar bescherming van het afgeleide recht in veel gevallen niet ter discussie staat, het vreemd overkomt om het op vergelijkbare wijze beschermen van het meeromvattende moederrecht af te wijzen.8
De in dit proefschrift verdedigde methode van zaaksvervanging relativeert ook het door Hammerstein aangehaalde ongewenste gevolg met betrekking tot formele vereisten die aan eigendomsverkrijging worden gesteld.9 Voor zover hiermee wordt gedoeld op de leveringseisen die nodig zijn bij eigendomsoverdracht, zijn deze systematisch niet van toepassing in de voorgestane benadering van zaaksvervanging als originaire verkrijging. Dit geldt ook voor de toepassing van zaaksvervanging bij andere zakelijke rechten, waartegen dit bezwaar overigens meestal niet in stelling wordt gebracht.10 Voor zover het met zaaksvervanging bereikte resultaat in strijd komt met publiciteitsvereisten, waarover meer in hoofdstuk 6, en om deze reden moet worden afgewezen, is dat een zelfstandige overweging die losstaat van het gegeven dat het te beschermen recht een eigendomsrecht is. Dergelijke overwegingen zien op alle gevallen van zaaksvervanging.
165.
Zaaksvervanging is per definitie een wijze van rechtsverkrijging en de huidige regels zetten zaaksvervanging al in ter bescherming van eigendom in art. 3:213 BW, zodat er weinig reden is om eigendomsverkrijging door middel van zaaksvervanging af te wijzen. Daarnaast moeten beperkte goederenrechtelijke rechten en eigendom als gelijkwaardige grootheden (met een andere inhoudelijke invulling) worden gezien en is het vanuit systematisch oogpunt vreemd indien de beperkte rechten wel worden beschermd en eigendom niet. Het afgeleide recht zou daarmee sterker worden dan het moederrecht.