Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.3.3.1
II.5.3.3.1 Bepaalbaarheid
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624150:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.3.4 ‘Art. 6:227 BW’.
Zie ook 2.2.3 ‘Passend binnen het gesloten stelsel’.
Vergelijk hiermee bijvoorbeeld ook de schenking, waarin ik aan de Bachi Amaa Foundation, ten behoeve van het bouwen van een huis voor weeskinderen, een geldbedrag schenk dat naar het oordeel van het bestuur van deze stichting nodig is om het huis te kunnen bouwen. Vgl. voorts § 2156 BGB, das Zweckvermächtnis. De erflater hoeft enkel het doel van het legaat te bepalen: ‘Der Erblasser kann bei der Anordnung eines Vermächtnisses, dessen Zweck er bestimmt hat, die Bestimmung der Leistung dem billigen Ermessen des Beschwerten oder eines Dritten überlassen. Auf ein solches Vermächtnis finden die Vorschriften der §§ 315 bis 319 entsprechende Anwendung (curs. NB).’
Vgl. HR 30 september 1925, PW 12040 en HR 2 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AX6609, BNB 1966/106.
In hoeverre is het mogelijk om het object van het legaat, ofwel de inhoud van het vorderingsrecht, nader te laten bepalen door een ander, zoals een erfgenaam of een derde? Voor het antwoord op deze vraag kan worden aangeknoopt bij hetgeen reeds is opgemerkt met betrekking tot art. 6:227 BW in de paragrafen 4.3.4 t/m 4.3.7. Het legaat is immers, evenals bijvoorbeeld de koop- of schenkingsovereenkomst, een bron van verbintenissen. Het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor het legaat is dan ook hetzelfde als het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor bijvoorbeeld de schenking. Ofwel: bepaalbaarheid voldoet en er is ruimte voor subjectieve elementen, zoals het oordeel van een derde.1 Althans voorzover Boek 4 BW niet uitdrukkelijk anders bepaalt. En dit doet Boek 4 BW niet.2
Art. 6:227 BW brengt mee dat het object van een verbintenis niet steeds in alle bijzonderheden hoeft te zijn bepaald. Bepaalbaarheid voldoet. Het is zodoende mogelijk om de inhoud van het vorderingsrecht (het legaat) later, na het openvallen van de nalatenschap, te concretiseren. Dit kan door middel van het verlenen van een keuzebevoegdheid aan een derde. Ik verwijs hiervoor naar hetgeen ik hierover opmerkte met betrekking tot de facultatieve verbintenis (paragraaf 4.3.6.2), de alternatieve verbintenis (paragraaf 4.3.6.3) en de generieke verbintenis of soortverbintenis (paragraaf 4.3.6.4). De hierin gelegen keuzebevoegdheden kunnen ervoor zorgen dat een bepaalbare verbintenis uiteindelijk (definitief) bepaald wordt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om:
Goed A te legateren of, indien de legataris of bijvoorbeeld een derde in plaats van goed A liever goed B verkiest, goed B (facultatief).
Goed A of goed B te legateren, dit ter keuze van de legataris, van een erfgenaam of van een derde (alternatief).
10 flessen wijn uit de boedel te legateren (generiek), waarbij bijvoorbeeld de erfgenamen uiteindelijk de flessen wijn die bestemd zijn voor de legataris moeten kiezen (met inachtneming van art. 6:28 BW ‘niet beneden goede gemiddelde kwaliteit’).
De alternatieve en facultatieve, evenals de generieke, verbintenis zijn mijns inziens een species van het ‘bindend oordeel’. Hiervoor verwijs ik naar hetgeen ik heb opgemerkt in paragraaf 4.3.7.
Wil men in de uiterste wil gebruik maken van de figuur van het ‘bindend oordeel’, hetgeen is toegestaan op grond van art. 7:906 lid 1 BW, dan dient telkens te worden beseft dat de bevoegdheidsverlening waarmee het bindend oordeel kan worden gegeven, passend moet zijn binnen het gesloten stelsel.3Art. 4:42 lid 1 BW bepaalt immers dat enkel de beschikkingen die in Boek 4 BW geregeld zijn of in de wet als zodanig worden aangemerkt uiterste wilsbeschikkingen zijn. De mogelijkheid om, bijvoorbeeld, een derde een bindend oordeel te laten geven waarmee hij de omvang van het legaat nader concretiseert, moet met andere woorden deel uitmaken van het legaat. Bijvoorbeeld: ‘Ik legateer aan de Bachi Amaa Foundation, ten behoeve van het bouwen van een huis voor weeskinderen, de som, die mijn broer, na overleg met mijn erfgenamen, zal bepalen.’4 Of zij moet als een reeds door de wet erkende uiterste wilsbeschikkingen zijn verwoord. Bijvoorbeeld als een ‘last’: ‘Ik legateer aan mijn broer een geldbedrag van € 100.000, onder de verplichting om dit geldbedrag naar zijn redelijk oordeel, binnen tien jaar na mijn overlijden, uit te keren aan de Bachi Amaa Foundation, stichting Alzheimer en CliniClowns.’5