Instellingen voor collectieve belegging in effecten
Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/1.2:1.2 Probleemstelling en methode van onderzoek
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/1.2
1.2 Probleemstelling en methode van onderzoek
Documentgegevens:
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193784:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Overweging 2 Icbe-Richtlijn I.
Overweging 2 en 3 Icbe-Richtlijn I.
Moloney (2014), paragraaf III.3.2.2.
Vgl. Wymeersch (2019), p. 4.
Op 31 maart 2019 was 36% van de icbe’s gevestigd in Luxemburg en 20% in Ierland (EFAMA, Quarterly Statistical Release, p. 6, juni 2019).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Al sinds Icbe-Richtlijn I in 1985 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen werd gepubliceerd, is een belangrijke doelstelling van de Icbe-Richtlijn het verwezenlijken van een meer doeltreffende en meer uniforme bescherming van deelnemers in icbe’s.1 Naast deze doelstelling is het bereiken van een geïntegreerde Europese markt voor icbe’s een belangrijke doelstelling van de Icbe-Richtlijn.2 Er wordt wel betoogd dat deze laatste doelstelling lange tijd de overhand heeft gehad bij het opstellen van de icbe-regelgeving.3 Het bereiken van een geïntegreerde financiële Europese markt is uiteraard de kerndoelstelling van veel Europese toezichtwetgeving.4 Een geïntegreerde Europese financiële markt behoeft een level playing field. In dit proefschrift wil ik onderzoeken in hoeverre het de regelgever gelukt is om middels Europees toezichtrecht deelnemers in icbe’s adequaat en uniform te beschermen. Is een belegger in een icbe voldoende beschermd ongeacht waar de icbe of zijn beheerder is gevestigd?
De onderzoeksvraag luidt zodoende als volgt:
Leidt de Icbe-Richtlijn tot adequate en uniforme bescherming van deelnemers in icbe’s?
De probleemstelling is deels normatief van aard. Adequate beleggingsbescherming is immers voor meerdere interpretaties vatbaar. Bescherming brengt bovendien ook kosten met zich mee. Stel dat elke actie die een beheerder van een icbe onderneemt goedkeuring behoeft van een toezichthouder, dan zou men kunnen concluderen dat de bescherming adequaat is, dat wil zeggen dat de kans op malversaties klein is. Veelal zal dat echter gezien worden als onwenselijk omdat het beheer van icbe’s duurder wordt en minder efficiënt. Welke balans gezocht wordt tussen bescherming en vrijheid is een politieke vraag die niet thuishoort in een juridisch proefschrift. Er zijn echter wel degelijk mogelijkheden om de contouren van adequate bescherming te schetsen. Ik onderzoek dit langs vier wegen.
Allereerst ga ik na of er sprake is van consequente regulering. Stel dat het verboden is voor een icbe om in een bepaald aandeel te beleggen omdat dat te risicovol wordt gevonden voor de deelnemers maar dat het de icbe wel is toegestaan om in een optie of een future op het aandeel te beleggen. Een icbe kan dan een gelijk of hoger risicoprofiel behalen; de beoogde bescherming is daarmee niet behaald. In dat geval is er geen sprake van consequente regulering.
Daarnaast zal ik de normen in de Icbe-Richtlijn vergelijken met normen die gelden voor beheerders van abi’s en beleggingsondernemingen. In het proefschrift zal uitsluitend aangegeven worden waar opvallende verschillen zijn, er is geen sprake van een volledige rechtsvergelijking.
Twee internationale organisaties, de IOSCO en de OECD, hebben normen uitgebracht over regulering voor beleggingsinstellingen. Ze hebben hierbij best practices verzameld uit internationale toezichtregelgeving en deze gebundeld. Hierover zijn tientallen papers geschreven. De papers die ik het meest relevant acht, heb ik geanalyseerd. Vervolgens heb ik de icbe-regelgeving op deze bevindingen getoetst.
Tot slot ga ik na of er op nationaal niveau nog additionele regels van toepassing zijn. Als dat het geval is, zou dat kunnen betekenen dat het Europees recht nog onvoldoende uitgebreid is op die punten. De wetgever of toezichthouder die deze additionele regels instelde, zag in ieder geval aanleiding om meer verplichtingen op te leggen aan icbe’s gevestigd in zijn lidstaat. Ik onderzoek hierbij drie landen: Luxemburg, Nederland en Ierland. Luxemburg en Ierland zijn gekozen omdat het de twee belangrijkste vestigingslidstaten zijn voor icbe’s.5 Nederland is gekozen omdat het proefschrift in het Nederlands is geschreven en de Nederlandse regelgeving zodoende relevant zal zijn voor de lezer. Op basis van de implementatie in deze landen tracht ik ook de vraag te beantwoorden in hoeverre de bescherming van beleggers uniform is.
Op basis van deze vier methodes tracht ik de onderzoeksvraag te beantwoorden.
Naast het beantwoorden van de onderzoeksvraag probeer ik met dit proefschrift ook een bijdrage te leveren aan de kennis in Nederland over icbe’s. Zoals in dit proefschrift uiteengezet zal worden, is de Nederlandse implementatie van de Icbe-Richtlijn op materiële punten onjuist of op zijn minst afwijkend van de implementatie in de twee andere onderzochte lidstaten. Dit is mede het gevolg van de onbekendheid van de icbe in Nederland. Anders was er wel eerder gewag van gemaakt. Een belangrijke functie van dit proefschrift is daarom tevens het bieden van een overzicht van de regels die van toepassing zijn op icbe’s.