Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.11
4.7.11 De hoedanigheid van de burger
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS506119:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Damen 2018, p. 39. Zie voor een andere categorisering Damen 2018, p. 32 e.v.
Loth & Tjong Tjin Tai 2014, punt 36. Vgl. de maatman-belegger (paragraaf 4.5.4): de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument, die bereid is om zich in de aangeboden informatie te verdiepen, maar niet beschikt over specialistische of bijzondere kennis en ervaring. Zie HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2820, NJ 2010/622 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 4.2 (TMF Financial Services) en HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. Du Perron, r.o. 4.10.3 (World Online).
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4556, r.o. 4.1 (Overzee/Zoeterwoude), waarin bekend werd verondersteld bij een architect dat het college van burgemeester en wethouders niet steeds het laatste woord heeft waar het bouwplannen van burgers betreft. Vgl. Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727, r.o. 4.8 (Principebesluit Zwijndrecht).
HR 23 maart 1979, NJ 1979/534 m.nt. M. Scheltema (Oberman).
Rb. Gelderland 3 december 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:8162, r.o. 4.3 (Appartementsrechten Nijmegen) en Rb. Zutphen 28 januari 2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AO5354, r.o. 5.7 (Woningbouw Bergh). Vgl. echter Hof ‘s-Hertogenbosch 1 juli 1992, BR 1993/2, p. 143, r.o. 8.2 (De Bont/Uden).
Vgl. Castermans 1992, p. 78.
Rb. Den Haag 3 april 2013, NJF 2013/212, r.o. 4.5 (Spoorwegpensioen).
In Hof Arnhem 17 juli 2007, te kennen uit HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1130 (Bouwval Voorst), had het hof vastgesteld dat de burger (zijdelings) werd bijgestaan door een advocaat, althans daarmee zijdelingse contacten had. In zijn conclusie, onder 2.29, voor dit arrest stelt A-G Keus hieromtrent dat sprake is van een omstandigheid die van belang kan zijn voor de wijze waarop in concreto invulling wordt gegeven aan de zorgvuldigheidsverplichting van de overheid: ‘Voor de precisie en volledigheid waarmee informatie dient te worden verstrekt, kan het verschil maken of degene tot wie de informatie wordt gericht toegang heeft tot een juridische deskundige, die de verstrekte informatie van de juiste juridische “verdieping” kan voorzien.’
Volgens Tjittes 2001, p. 17, moet de betekenis van de bijstand van een deskundige aan zijn opdrachtgever in de sleutel van de leer van het grootste aandeel worden geplaatst. Zie ook het – hiervoor reeds besproken – Hof Leeuwarden 17 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5760, r.o. 18 (Winkelschip Groningen).
Vgl. HR 17 december 1976, NJ 1977/241 m.nt. G.J. Scholten (Misverstand of Bunde/ Erckens).
HR 29 september 1995, NJ 1998/81 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.5 (ABN AMRO/Hendriks).
Vgl. Barendrecht e.a. 2002, p. 92, en Scheltema & Scheltema 2013, p. 414.
Vgl. Vranken 1989, p. 186 en Rb. Den Haag 20 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7804, r.o. 4.9 (Konekto/Staat).
Tjittes 1993, p. 147. Zie ook Kortmann 2018, p. 192.
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7198, r.o. 3.4.1 (Veghelse varkenshouder).
Hof ‘s-Hertogenbosch 14 februari 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2580, r.o. 4.12 (Veghelse varkenshouder). Deze opvatting werd overigens verworpen door Rb. Arnhem 30 januari 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC3925, r.o. 4.4 (Varkenshouderij Zaltbommel).
Hof ‘s-Hertogenbosch 17 december 2001, JB 2002/55 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 11 (Asten/Koolen). Zie ook Hof ‘s-Hertogenbosch 8 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3920, r.o. 4.6 (Agrarisch bedrijf Oisterwijk) en ABRvS 14 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1477, r.o. 2.6 (Burgerwoning Binnenmaas).
Zie het verstekarrest Hof ‘s-Hertogenbosch 7 juli 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ2227, r.o. 4.14-4.16 (LPG-vulpunt Uden I), dat na verzet is vernietigd in Hof ’s-Hertogenbosch 2 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3229 (LPG-vulpunt Uden II).
Hof Den Haag 11 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4598 (Staat/RoderSana).
Rb. Rotterdam 6 juli 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR3956, r.o. 4.7 (DBC Beukenlaan/ Hellevoetsluis).
Rb. ‘s-Gravenhage 27 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU1282, r.o. 5.11 (Eurolines c.s./ Staat).
Rb. Amsterdam 19 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3595, r.o. 4.4 (Unieke Kinderopvang/Amsterdam).
HR 27 maart 1992, NJ 1993/188, r.o. 3.3 (Thesing Vastgoed).
Zie bijvoorbeeld ABRvS 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3088, AB 2008/208 m.nt. R. Ortlep, r.o. 2.4 (Weekendverbod garnalenvisserij), ABRvS 2 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6647, r.o. 2.7.1 (Jumper Diersuper), ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3006, AB 2015/372 m.nt. R. Ortlep (Fietsverhuurbedrijf) en CBb 17 april 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF7702, AB 2003/267 m.nt. J.H. van der Veen, r.o. 5 (Saphir). Vgl. de ‘voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer’ uit het Unierecht. Zie bijvoorbeeld HvJ EG 11 maart 1987, C-265/85, Jur. 1155, r.o. 44 (Van den Bergh en Jurgens en Van Dijk Food Products/Commissie) en HvJ EU 14 maart 2013, C-545/11, r.o. 26 (Agrargenossenschaft Neuzelle).
Vgl. Castermans 1992, p. 95-96.
Wolters 2013, p. 145-147.
Binnen de gezichtspuntencategorie van de ‘aard van de rechtsverhouding’ komt ook betekenis toe aan de hoedanigheid van de burger. Binnen het containerbegrip ‘de burger’, dat in paragraaf 1.5.3 werd geïntroduceerd, dient ten behoeve van deze paragraaf een nader onderscheid te worden gemaakt. De ene burger is immers de andere niet. Met name bestaat aanleiding om een onderscheid te maken tussen natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en natuurlijke en rechtspersonen die dat wel doen.1 Aan de rechtskennis van de eerstgenoemde groep ‘gewone’ burgers worden geen hoge eisen gesteld. Voor de ‘maatman-burger’, die niet beschikt over bijzondere kennis of ervaring met betrekking tot een bepaald rechtsgebied, geldt bij uitstek dat hij voor het verkrijgen van informatie over zijn rechtspositie is aangewezen op het bestuur (paragraaf 2.3.1.2). Van de maatman-burger mag worden verwacht dat hij beschikt over een basiskennis van het recht, in de zin dat de (globale) hoofdlijnen van wet- en regelgeving bekend zijn, en dat hij bereid is om zich – tegen de achtergrond van die basiskennis – te verdiepen in de ter beschikking gestelde informatie (vgl. paragraaf 4.7.10.3),2 maar ook niet meer dan dat.
Hogere verwachtingen zijn pas gerechtvaardigd als het gaat om een burger met een bijzondere hoedanigheid. Hiermee wordt bedoeld dat de burger eigenschappen heeft die hem onderscheiden van de maatman-burger, bijvoorbeeld wat betreft emplooi, maatschappelijke positie, opleiding, deskundigheid of rechtskennis. Zo ligt het voor de hand dat de burger die advocaat is minder snel mag vertrouwen op de juistheid van verstrekte informatie, zeker als hij is gespecialiseerd in het bestuursrecht. Een dergelijke hoedanigheid rechtvaardigt een vermoeden omtrent de mate van deskundigheid van de burger. De burger met een bijzondere hoedanigheid wordt – objectief gezien – vermoed te beschikken over een bepaalde kennis.3 In dit verband kan worden gewezen op een overweging van het Hof Amsterdam in de zaak Oberman, die afgifte van een getuigschrift in de dramaturgie vorderde. Hierin keert niet alleen de hoedanigheid van de burger terug maar komen ook alle (andere) categorieën van gezichtspunten voorbij die hier worden besproken:4
‘Oberman, die zelf als juriste het Academisch Statuut en de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs kon kennen en begrijpen, mocht niet afgaan op vage mondelinge mededelingen van niet-juristen als de heren Hunningher en Pos om een overtuiging te verkrijgen over de voor haar zo belangrijke vraag of zij de studie in de dramaturgie in afwijking van de bepalingen van het Academisch Statuut zou kunnen afsluiten met een doctoraalexamen zonder voorafgaand kandidaatsexamen in de Letteren. Zij mocht niet blindvaren op de simpele mededeling dat zij o.g.v. ‘een artikel in de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs’ kon worden toegelaten tot de doctoraalstudie in de dramaturgie en mocht daaruit niet zonder meer opmaken dat zij de nodige vrijstelling had of zou krijgen. Zij had zich in 1971 kunnen en moeten vergewissen van haar rechtspositie in deze.’
Grond voor de toerekening van een bepaalde mate van kennis aan de maatman-burger bestaat ook wanneer hij zich heeft voorzien van deskundige bijstand. Hierbij kan worden gedacht aan de bijstand van een architect5, makelaar6 of een belastingadviseur,7 doch met name aan rechtskundige bijstand, bijvoorbeeld van een advocaat of andere rechtsbijstandverlener.8 Dat een burger wordt bijgestaan door een jurist, betekent dat hij zich minder gemakkelijk met recht op het standpunt zal kunnen stellen dat hij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de informatie die hem van overheidswege bereikte. De bijstand van een jurist sluit het bestaan van een zodanig vertrouwen echter niet zonder meer uit. De bijstand van een deskundige kan slechts worden aangemerkt als een factor van betekenis,9 waaraan meer gewicht toekomt wanneer de overheid mocht verwachten dat de burger ter zake zou worden voorgelicht door die deskundige.10
Ter vergelijking kan worden gewezen op het arrest ABN-AMRO/ Hendriks,11 waarin de Hoge Raad overwoog dat de omstandigheid dat een advocaat is geraadpleegd voordat een vaststellingsovereenkomst is aangegaan, gewicht in de schaal legt bij de beantwoording van de vraag of de omstandigheden van het geval meebrengen dat de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Volgens de Hoge Raad kan de opvatting dat deze enkele omstandigheid op zichzelf reeds de doorslag geeft, echter niet als juist worden aanvaard.
Het uitgangspunt dat geen hoge eisen worden gesteld aan de rechtskennis van de maatman-burger, geldt niet zonder meer ook voor personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, temeer indien zij kenbaar voornemens zijn om de verstrekte informatie voor commerciële doeleinden te gebruiken.12 Zij dienen zich in beginsel zelf op de hoogte te stellen van de inhoud van het geldende recht, en mogen niet zonder meer varen op de informatie die zij van overheidswege verkrijgen.13 Ten aanzien van professionele partijen is immers niet zonder meer vol te houden dat de overheid over een grotere mate van deskundigheid beschikt ter zake van het recht. Zoals Tjittes terecht opmerkt, kunnen professionele partijen als een multinational, een pensioenfonds of een projectontwikkelaar op het gebied van hun bedrijfsvoering minstens even deskundig zijn als een (kleine, niet gespecialiseerde) overheid.14 Tjittes bepleit overigens dat slechts bij de bepaling van de omvang van de aansprakelijkheid rekening wordt gehouden met de deskundigheid van de wederpartij van de overheid. Mijns inziens kan echter evenmin worden voorbijgegaan aan de deskundigheid van de wederpartij in het kader van de vestiging van aansprakelijkheid, gelet op de maatstaf die in het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel is aangelegd (paragraaf 4.7.2).15
Illustratief is een arrest van de Hoge Raad over de kennis die van een agrarisch ondernemer mag worden verwacht.16 De Hoge Raad overwoog in het kader van de uitleg van een gemeentelijke brief waarin een varkenshouder toestemming werd gegeven om een tweetal vergunde maar niet gerealiseerde varkensstallen alsnog te realiseren, dat het hof terecht in aanmerking had genomen dat van de betreffende varkenshouder, als ondernemer die zich bezighoudt met de exploitatie van een mestvarkensbedrijf, verwacht mag worden dat hij op de hoogte is van de ter zake geldende regels. In deze zaak was het Hof ‘s-Hertogenbosch nog een stap verder gegaan met de vooropstelling dat van een ondernemer die zich bezighoudt met de exploitatie van een mestvarkenbedrijf verwacht mag worden dat hij ervan op de hoogte is dat hij voor dat bedrijf vergunningen behoeft, dat tegen het (niet) verlenen van vergunningen bezwaar gemaakt kan worden, dat er eventueel nog beroepsmogelijkheden bestaan en dat er in de regelgeving betreffende het houden van mestvarkens in de loop van de tijd wijzigingen kunnen optreden die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheden tot exploitatie. Er mag volgens het hof van uitgegaan worden dat hij zich hieromtrent nauwkeurig zal informeren en daarbij niet zonder meer zal afgaan op de informatie die hem van de kant van de vergunningverlenende instantie bereikt.17 In een andere zaak had het Hof ‘s-Hertogenbosch eerder al overwogen dat (ook) van leken op bestuursrechtelijk gebied, die een agrarisch bedrijf in een landelijk gebied exploiteren, kan worden verwacht dat deze enige elementaire kennis bezitten van het bestaan van bestemmingsplannen en wat daarmee samenhangt: ‘En al kan van hen niet worden verlangd dat zij daarvan de fijne nuances en finesses kennen, wel mag van hen worden verwacht – en naar de ervaring van het hof is dit in de praktijk ook zo – dat zij weten dat er vergunningen aangevraagd moeten worden, dat derden daartegen bezwaar kunnen maken, en dat er eventueel nog beroepsmogelijkheden bestaan.’18
Het voorgaande geldt niet alleen voor agrarisch ondernemers, die in verband met de aard van hun bedrijfsvoering met enige regelmaat in aanraking zullen komen met uiteenlopende wettelijke kaders, zoals ook horecaon dernemers allerlei verschillende toestemmingen nodig hebben. In de rechtspraak is meermalen aanvaard dat ondernemers van diverse pluimage, zoals een projectontwikkelaar,19 een zorginstelling,20 een benzinestationhouder,21 een internationaal busvervoerder22 en een kinderdagverblijf23 ten minste bekend moeten zijn met de beginselen van het rechtsgebied waarmee zij bedrijfsmatig te maken hebben.
Het voorgaande strookt ook met hetgeen rechtens is in het beroepsaansprakelijkheidsrecht, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het arrest Thesing Vastgoed.24 In dit arrest over de aansprakelijkheid van de notaris uit hoofde van zijn taak bij het verlijden van een akte overwoog de Hoge Raad dat uitgangspunt dient te zijn dat op de notaris in zijn hoedanigheid een zwaarwegende zorgplicht rust ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de in die akte opgenomen rechtshandelingen. Deze zorgplicht vindt echter haar grens daar waar de notaris goede grond heeft te vertrouwen dat de betreffende belanghebbende zich zelf reeds op de hoogte had gesteld of dat deze tevoren reeds voldoende inzicht had in hetgeen voor die gevolgen vereist was. Het voorgaande ligt ook in lijn met de rechtspraak van de verschillende hoogste bestuursrechters over de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Hierin komt tot uitdrukking dat een professionele marktpartij wordt geacht op de hoogte te zijn van relevante regelgeving, en gehouden is om de juistheid van de gegeven inlichtingen te controleren.25
Ook professionele partijen mogen echter niet over één kam worden geschoren.26 De ene professionele partij is de andere niet, zodat onderscheid moet worden gemaakt naar de mate van professionaliteit, die bovendien niet noodzakelijkerwijs samenloopt met de omvang van een bedrijf.27 Ook kleine bedrijven kunnen uitermate deskundig zijn, met name indien zij een monopoliepositie bekleden in een bepaalde markt of in een niche opereren.