De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht
Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/5.7.3:5.7.3 Het bestuursverbod in Curaçao
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/5.7.3
5.7.3 Het bestuursverbod in Curaçao
Documentgegevens:
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631713:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 1:64 lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht van Curaçao kan de rechter in bepaalde gevallen een persoon ontzetten in de uitoefening van bepaalde beroepen. Onder ‘beroep’ moet mede worden begrepen het zijn van bestuurder van een rechtspersoon. Dit strafrechtelijke bestuursverbod betreft een veel ruimere categorie dan het hier besproken civielrechtelijke bestuursverbod.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Heeft de bestuurder van een stichting het te bont gemaakt dan kan de rechter bepalen dat een door hem ontslagen statutaire bestuurder gedurende vijf jaar nadat het ontslag onherroepelijk is geworden, geen bestuurder van een stichting kan zijn: een bestuursverbod (art. 2:55 lid 3 BWC).1 Dit verbod om bestuurder te zijn strekt zich niet uit tot andere rechtspersonen dan stichtingen: dat hoeft volgens de wetgever ook niet, omdat aangenomen mag worden dat er bij die andere rechtspersonen in de regel andere organen zijn die het bestuur daadwerkelijk controleren. Is de betrokkene reeds bestuurder van andere stichtingen dan roept dat de vraag op naar de reikwijdte van de beschikking van de rechter: is de bestuurder ten aanzien van die andere stichtingen van rechtswege bestuurder af of moet hij aftreden? Het laatste lijkt mij meer voor de hand te liggen. Uitgangspunt dient mijns inziens te zijn dat in geval de rechter oordeelt dat de betrokkene bepaald ongeschikt is om bestuurder van een stichting te zijn, hij ook moet terugtreden uit het bestuur van andere stichtingen waarvan hij deel uitmaakt. Die andere stichtingen zijn niet bij de hier genoemde procedure betrokken en moet enige tijd worden gegund om zonodig in de vacature te voorzien. Ik zou derhalve willen aannemen dat, tenzij de rechter anders bepaalt, de bestuurder met bekwame spoed bij die andere stichtingen moet aftreden (binnen twee weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden of zoveel eerder als door de rechter bepaald) en dat het Openbaar Ministerie zonodig actie kan ondernemen op de voet van art. 2:55 BWC dan wel in kort geding. Wellicht kunnen we art. 2:55 lid 3 BWC zo lezen, dat de rechter die het verbod oplegt – voor zover mogelijk – ook de gevolgen daarvan mag (of dient te) regelen, zij het dat die door de rechter te formuleren gevolgen geen werking kunnen hebben jegens stichtingen die geen partij in de procedure waren.
Het verbod kan door de rechter worden opgelegd in geval de bestuurder iets heeft gedaan of nagelaten in strijd met de bepalingen van de wet of de statuten, dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid, of in geval hij niet of niet behoorlijk voldoet aan zijn verplichting om inlichtingen te verschaffen en desgevraagd ook inzage in de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te geven aan het Openbaar Ministerie en de deskundigen. De vraag of een bestuursverbod moet worden opgelegd komt immers aan de orde in het kader van een ontslagprocedure als bedoeld in art. 2:55 lid 1 BWC. De schendingen waarom het hier gaat zijn van uiteenlopende aard, en kunnen ernstig en minder ernstig zijn. De wet biedt verder voor de rechter geen houvast om te beoordelen of een dergelijk verbod geboden is. Met name als het gaat om ernstig wanbeleid waarbij de belangen van derden zijn geschaad, of wanneer sprake is van bepaalde (financiële) strafbare feiten van een zekere ernst, zou een bestuursverbod aan de orde kunnen zijn, temeer wanneer sprake is van een (begin van een) patroon of gevaar daarvan is te duchten.
Intussen moet van een bestuursverbod niet te veel worden verwacht. Het verbod is zeer eenvoudig te omzeilen door een andersoortige rechtspersoon tussen te schuiven dan wel gebruik te maken van een buitenlandse rechtspersoon die dan bestuurder wordt van een stichting, terwijl degene aan wie het bestuursverbod is opgelegd bestuurder van de bestuurder wordt. Deze regeling roept verder nog wel een aantal vragen op. Hoe en door wie wordt gecontroleerd of de betrokkene bestuurder van andere stichtingen is? Wie informeert die andere stichtingen? Wie schrijft de bestuurder uit wanneer hij enig bestuurder is? Bovendien zou het defungeren van de (enige) bestuurder van die andere stichtingen wel eens ongewenste consequenties kunnen hebben, die de rechter bij zijn afweging niet heeft kunnen betrekken. Een zekere terughoudendheid bij het uitspreken van deze sanctie ligt dan ook in de rede. Het is daarnaast de vraag of deze punitieve sanctie wel in het civiele recht thuishoort. Ten slotte roept de regeling de vraag op of het bestuursverbod ook zou kunnen worden opgelegd aan een quasi-bestuurder van een stichting. De tekst van de wet lijkt die ruimte niet te bieden, net zomin als de letterlijke tekst verbiedt dat degene aan wie een bestuursverbod is opgelegd zich als quasi-bestuurder van een stichting gaat gedragen. Denkbaar is dat de nieuwe bestuurder van de stichting of een belanghebbende in kort geding een dergelijk bestuursverbod als voorlopige voorziening vraagt, met daaraan gekoppeld een dwangsom.