Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.3.4.5
II.3.4.5 Toerekeningsformule: de verruimde ijzerdraad-criteria
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460504:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3, NJ 1954/378, m.nt. Röling (IJzerdraad).
Geparafraseerd van HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3, NJ 1954/378 m.nt. Röling (IJzerdraad).
Zie ook Sikkema 2010, par. 3.7 over de ontwikkeling van het aanvaardingsvereiste.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest).
Zo werd bevestigd in HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487, NJ 2016/23.
In par. II.4 ga ik dieper in op het Drijfmest-arrest. Sommige auteurs menen dat uit het Binnentankerarrest zou kunnen worden afgeleid dat de andere Drijfmest-gezichtspunten voor de redelijke toerekening aan de rechtspersoon ook kunnen worden toegepast op natuurlijke personen. Zie o.a. Kessler in haar annotatie bij HR 24 mei 2005, JIN 2005/282 (Binnentanker). Met De Valk meen ik dat die vereenzelviging van criteria niet nodig en niet wenselijk is; De Valk 2009, p. 407-409.
De Hullu 2018, p. 164-166.
Zie meer algemeen over beschikkingsmacht Sikkema 2010, par. 3.7.1; Hornman, II.2.6.
Hornman wijst er terecht op dat er niet altijd sprake zal zijn van een omissie. Bij het aanspreken van natuurlijke personen zal geregeld sprake zijn van het bewerkstelligen van een verboden gedraging, al wordt om bewijstechnische redenen vaak teruggevallen op de ondergrens. Zie Hornman p. 37 onder verdere verwijzingen.
Gritter 2003, p. 219; Sikkema 2010, p. 39.
Röling in zijn annotatie bij HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3, NJ 1954/378, m.nt. Röling (IJzerdraad).
Gritter 2007a, p. 20-21.
Dit werd reeds vastgesteld door Röling in zijn annotatie bij het IJzerdraadarrest (HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3, NJ 1954/378), en dit wordt nog in de literatuur nog altijd aangenomen.
De Hullu 2018, p. 164. Anders Sikkema 2010 par. 3.7.1, die meent dat ook dan onder omstandigheden beschikkingsmacht kan worden aangenomen.
Hornman 2016a, p. 36-37, Van Woensel 1993, p. 92-96.
Hornman 2016a, p. 92-93.
Dat laat natuurlijk wel onverlet dat een bepaalde (formele) positie, zoals die van een werkgever of een eigenaar van een bedrijf, een (sterk doch weerlegbaar) vermoeden kan opleveren dat de beschikkingsmacht aanwezig is.
Merk op: in tegenstelling tot opzet of schuld in het kader van een subjectief bestanddeel (die in beginsel de hele delictsomschrijving bestrijken) hoeft de aanvaarding voor functioneel plegen alleen te zien op de delictsgedraging, en dus niet op de andere bestanddelen: De Hullu 2018, p. 165, Hornman 2010, p. 389-390.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 3.4.
Sikkema 2010, p. 46; Hornman 2010, p. 390-391; De Hullu merkt nog op dat de objectieve zijde van het aanvaardingscriterium niet haarscherp te onderscheiden is van de subjectieve zijde van het delict; een zekere intentionaliteit mag gevraagd worden. De Hullu 2018, p. 165.
Sikkema 2010, par. 3.7.4; Hornman 2010, p. 391-392.
De Valk geeft het plaatsvinden van ongewenste intimiteiten op de werkvloer als voorbeeld. De Valk, p. 408. Wellicht is dit geen goed voorbeeld (meer), aangezien er de afgelopen jaren veel meer aandacht is voor dit verschijnsel, en de noodzaak van adequaat beleid sterk gevoeld wordt.
Hornman 2016a, respectievelijk hoofdstuk IV en VII.
Rb. Oost-Brabant 28 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2548, M&R 2018/89, m.nt. Velthuis; HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9326 (concl. A-G Vegter), NJ 2010/23, Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI9326.
Rb. Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4153, M&R 2014/140, m.nt. Van Ham.
Rb. Oost-Brabant 16 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5111.
HR 4 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6171 (concl. A-G Wortel), JM 2004/119, m.nt. Koopmans (Tankstation), Conclusie AG, ECLI:NL:PHR:2003:AL6171.
Ook al ligt het plegerschap van leidinggevenden in dergelijke casus voor de hand, toch lijkt de rechter in sommige gevallen te kiezen om aansprakelijkheid te vestigen via deelneming. Zo werd in Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10122 de leidinggevende van een groenrecyclebedrijf (primair) als (mede)pleger en subsidiair als feitelijk leidinggever aangesproken in verband met de overtreding van artikel 10.37 lid 1 Wm; de rechter heeft daar de leidinggevende vrijgesproken van het plegerschap maar veroordeeld voor deelneming aan het storten van afvalstoffen, op die zaak kom ik in par. II.6.2.1 terug.
Hof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2232, JBO 2016/177, m.nt. Van der Meijden (Asbest Osdorpflats).
Zie voor een analyse van de toepassing van de vereisten voor feitelijk leidinggeven in diverse complexe configuraties Hornman 2016a, deel II.
Wolswijk 2001.
De Hullu 2018, p. 165.
Hornman 2016a, p. 40.
Zo bezien kan dit argument niet alleen begrepen worden als opzet-verweer, zoals de verdediging het gebruikt lijkt te hebben in deze zaak, maar ook als betwisting van de aanvaarding van de gedraging, hetgeen toerekening aan verdachte in de weg zou staan.
Rb. Oost-Brabant 16 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5111, zie par. 2.6.2.
HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2918 (concl. A-G Machielse), NJ 2005/434; JM 2006/32, m.nt. Koopmans; JIN 2005/282, m.nt. Kessler (Binnentanker), conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2005:AT2918.
Gasolie is een archaïsch woord voor diesel.
De verdediging gaat overigens wel slordig met het leerstuk van functioneel plegerschap om. Zo vertalen ze de toerekening van het Hof als een ‘kwaliteitselement’, terwijl normadressaatschap niets te maken heeft met de uitleg van de verboden gedraging (maar alleen op de hoedanigheid van de persoon op wie de verplichting rust), zie par. II.2.6.2 onder het kopje voorbeelden. Daarnaast meent de verdediging dat functioneel plegerschap niet mogelijk is, omdat ‘de bemanning geen blaam treft’. Echter, voor de toerekening aan de functionele pleger doet het daderschap van degene die de delictsgedraging verricht niet ter zake. De Hullu 2018, p. 162. Ook deelt de verdediging een onbegrijpelijke sneer uit naar de politierechter met betrekking tot de zogenaamde tweeledigheid van een enkel IJzerdraad-criterium (een sneer die in JM 2006/32 ten onrechte wordt toegeschreven aan de Hoge Raad).
Zie m.n. r.o. 3.4 van het arrest. Opmerkelijk genoeg doet de Hoge Raad een suggestie over welke omstandigheden het Hof in aanmerking kunnen nemen bij het vaststellen van het plegerschap die meer passen in de sleutel van het Drijfmest-arrest dan in het IJzerdraad-arrest.
Het zou interessant zijn geweest om te horen of volgens de Hoge Raad de toerekening vastloopt op de afwezigheid van beschikkingsmacht of op het niet aanvaarden van de gedraging (of allebei). Naar mijn idee ontbreekt bij de eigenares (in ieder geval) de aanvaarding. Uit de feiten is op te maken dat de eigenares niet wist dat er gasolie zou lekken. Bovendien lijkt het erop dat het schip in orde was en de ondergeschikten niet verkeerd handelden. Noch is gebleken van gebrekkige instructies of onvoldoende toezicht. De vraag of de eigenares (ook) niet voldoet aan het beschikkingsmachtcriterium laat zich minder makkelijk beantwoorden, en hangt ook af van de verdere omstandigheden van het geval. Als het lek bijvoorbeeld een externe oorzaak heeft (zoals een fabricagefout), dan heeft de eigenares geen reële mogelijkheid had om de verboden gedraging te voorkomen, en ontbreekt beschikkingsmacht. Als het lekken van gasolie toch is veroorzaakt door toedoen van één van de betrokken personen over wiens handelen de eigenares zeggenschap had (de schipper, bemanning en indirect ook over de pompbedienden) dan zou betoogd kunnen worden dat er wél sprake is van beschikkingsmacht.
Inleiding
In paragraaf II.3.4.4 stond ik stil bij jurisprudentie uit het milieustrafrecht waarin de (functionele) interpretatie van een milieudelict een belangrijke rol speelde voor het plegerschap van de leidinggevende. In deze paragraaf ga ik in op de andere benadering voor het vaststellen van het plegerschap van een leidinggevende in het kader van milieuovertredingen: toerekening op basis van de IJzerdraad-criteria. Hierna ga ik eerst in op de achtergrond van het IJzerdraad-arrest, vervolgens ga ik dieper in op de afzonderlijke criteria, ten slotte bespreek ik de toepassing van deze criteria in de (schaarse) jurisprudentie die ik in het kader van het plegerschap van de leidinggevende van milieudelicten heb gevonden.
Achtergrond
De toets voor de toerekening van een verboden gedraging aan een natuurlijk persoon komt uit het zogenaamde IJzerdraad-arrest.1 Het gaat in deze zaak om de aansprakelijkheid voor het onjuist exporteren van ijzerdraad naar Finland. De feitelijke handelingen (dus het onjuist invullen van de exportformulieren en het uitvoeren van ijzerdraad) zijn verricht door een werknemer (de exportmanager). De vraag is of de eigenaar van de ijzerdraadzaak kan worden gekwalificeerd als pleger. De Hoge Raad overweegt dat de handelingen van de ondergeschikte kunnen worden aangemerkt als de gedraging van de eigenaar, indien ‘verdachte erover vermocht te beschikken of die handelingen al dan niet plaatsvonden’, en het plaatsvinden van deze handelingen door verdachte ‘werd aanvaard of placht te worden aanvaard’ [curs. TRB].2 Uit het IJzerdraadarrest zijn aldus twee cumulatieve criteria te destilleren voor de toerekening van de delictsgedraging aan de functionele pleger: beschikkingsmacht en aanvaarding. De criteria zijn cumulatief, de afwezigheid van de benodigde beschikkingsmacht of aanvaarding leidt ertoe dat de verdachte niet kan worden aangesproken als functionele pleger, met als gevolg vrijspraak.
Oorspronkelijk werd gedacht dat voor het vervullen van het aanvaardingscriterium uit het IJzerdraad-arrest de functionele pleger ten minste voorwaardelijk opzet op de delictsgedraging moest hebben.3 In het Drijfmest-arrest (ook bekend als het Zijpe-arrest) kiest de Hoge Raad echter voor een objectievere invulling van het aanvaardingscriterium.4 In dit arrest overweegt de Hoge Raad dat onder aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de (rechts) persoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Het arrest gaat weliswaar over het plegerschap van een rechtspersoon, maar algemeen aangenomen wordt dat deze objectievere invulling van aanvaarding ook geldt voor natuurlijke personen.5 Hiermee verruimt de Hoge Raad het aanvaardingscriterium uit het IJzerdraad-arrest.6 Dat is de reden waarom ik in dit proefschrift soms spreek van de ‘verruimde IJzerdraad-criteria’.7 Hierna ga ik dieper in op het beschikkingscriterium en het aanvaardingscriterium.
Beschikkingsmacht
Een verdachte voldoet aan het beschikkingscriterium, wanneer hij zeggenschap heeft over het al dan niet plaatsvinden van de verboden gedraging.8 De beschikkingsmacht ziet op het handelen in strijd met de wet, dus op de delictsgedraging. Er is in ieder geval sprake van beschikkingsmacht, wanneer de functionele pleger de verboden gedraging actief heeft bewerkstelligd. Maar ook wanneer de functionele pleger zijn zeggenschap niet actief aanwendt om een ander te bewegen tot een verboden gedraging maar deze gedraging ‘slechts’ toelaat, kan er sprake zijn van beschikkingsmacht.9 Voldoende is dat de functionele pleger een reële mogelijkheid had om in te grijpen, maar dit niet geeft gedaan.10 Het beschikkingscriterium moet dus begrepen worden als het ‘kunnen ingrijpen’11, of de ‘mogelijkheid tot terugfluiten’.12
Dit proefschrift gaat over de positie van natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming. In beginsel heeft een leidinggevende beschikkingsmacht over zijn ondergeschikten.13 Maar let wel, formeel-juridische zeggenschap is niet voldoende; de functionele pleger moet feitelijke zeggenschap hebben over het al dan niet plaatsvinden van de verboden gedraging. Het eigenmachtig onbevoegd optreden van een werknemer biedt in beginsel geen basis voor functioneel plegerschap van de leidinggevende.14 Als degene met een formeel hogere positie feitelijk onmachtig is om in te grijpen, voldoet hij dus niet aan het beschikkingscriterium. Overigens, wanneer de leidinggevende de verboden gedraging tracht te voorkomen maar hierin niet slaagt, dan zal in beginsel (ook) de voor functioneel plegerschap vereiste aanvaarding ontbreken.15
Andersom is het – gelet op het feitelijke karakter van het beschikkingscriterium – niet vereist dat de functionele pleger formeel gezien een hogere positie heeft dan de fysieke pleger. Het gaat immers juist om de feitelijke beschikkingsmacht. Het is ook mogelijk om zonder juridische zeggenschap beschikkingsmacht te hebben over het gedrag van een ander. Welke mate van zeggenschap in een concreet geval nodig is voordat er sprake is van beschikkingsmacht, laat zich moeilijk in algemene zin beantwoorden. In dit kader wijst Hornman er terecht op dat macht een kwalificatie is voor een wederkerige sociale relatie.16 De machtsrelatie is niet alleen een proces van machtsuitoefening door de een, maar ook van machtsaanvaarding door de ander. Beide componenten zijn essentieel. Daarom kan niet in zijn algemeenheid gezegd worden of aan gezagsuitoefening gevolg zal worden gegeven. De ene leidinggevende heeft meer overwicht dan de andere, en niet elke werknemer is even volgzaam. Oftewel, ook al leert de ervaring dat iemand in een bepaald soort positie een bepaalde verboden gedraging kan bewerkstelligen, dan nog zou het kunnen dat in het specifieke geval de machtsuitoefening niet wordt geaccepteerd, en dan is er (dus) geen sprake van beschikkingsmacht.17 Gelet op de feitelijke aard van het beschikkingscriterium, spelen de omstandigheden van het geval bij de beoordeling van een concreet geval een belangrijke rol.
Aanvaarding
Voor de toerekening aan de functionele pleger is beschikkingsmacht over de verboden gedraging niet voldoende; ingevolge het tweede IJzerdraad-criterium is ook vereist dat de verdachte de verboden gedraging heeft aanvaard.18 Er kunnen verschillende gradaties van aanvaarding worden onderscheiden. In de eerste plaats kan het zijn dat de functionele pleger een ander welbewust aanzet tot het verrichten van een verboden gedraging; in dat geval is er vanzelfsprekend sprake van aanvaarding van die gedraging (meer dan dat zelfs) en dan komt de ondergrens uit het Drijfmest-arrest niet eens in beeld.
Voor de aanvaarding is het echter niet nodig dat de functionele pleger het strafbare feit actief bewerkstelligt. Zoals gezegd is zelfs niet vereist dat de functionele pleger voorwaardelijk opzet op het delict heeft. Over de ondergrens van het aanvaardingscriterium overwoog de Hoge Raad in het hiervoor besproken Drijfmestarrest dat ‘het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de (rechts)persoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging’ ook telt als aanvaarding.19 Ingevolge het aanvaardingscriterium wordt het handelen van de verdachte in wezen vergeleken met dat van een maatman: de gemiddelde functionaris in een dergelijke situatie. Oftewel, er wordt een op de situatie toegesneden zorgplicht geconstrueerd. Dus hoewel het aanvaardingscriterium subjectieve associaties oproept, heeft het sinds het Drijfmest-arrest een aanmerkelijk objectievere invulling gekregen.20
Bij het construeren van de zorgplicht kan rekening worden gehouden met tal van factoren. Allereerst speelt de aard van de geschonden norm een rol.21 Bij een geschonden veiligheidsvoorschrift (denk bijvoorbeeld aan het niet-dragen van een veiligheidshelm door ondergeschikten) zal er bijvoorbeeld relatief snel sprake zijn van een schending van een zorgplicht; de gevolgen van het schenden van veiligheidsvoorschriften kunnen zeer ernstig zijn, en het waarborgen van de veiligheid van de werknemers kan worden gezien als een kerntaak van de leidinggevende. Bij andere normen gaat de onderzoeksplicht minder ver.22 Bijvoorbeeld, van een leidinggevende van een transportbedrijf is het niet redelijk om te vergen dat deze controleert of de vrachtwagenchauffeurs alle verkeersregels naleven. Als een vrachtwagenchauffeur dus in strijd met het verkeersreglement zijn knipperlicht niet gebruikt, mag niet te snel worden aangenomen dat de leidinggevende dit heeft aanvaard.
In het kader van functioneel plegerschap van een leidinggevende functionaris, zijn voor de aanvaarding ook de aard en omvang van de onderneming en de rol van de leidinggevende daarbinnen relevant. Leidinggevenden van BRZO-bedrijven, dus bedrijven waar een grote hoeveelheid gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, zijn tot (het organiseren van) meer toezicht en maatregelen gehouden dan leidinggevenden van een type A-inrichting, dus inrichtingen die ‘lichte’ milieubelastende activiteiten verrichten waarvoor niet eens een vergunning nodig is. Wat betreft de omvang en organisatie van het bedrijf, onderscheidt Hornman verschillende typologieën van ondernemingen. Bij een eenvoudig en hiërarchisch ingerichte onderneming (bijvoorbeeld een klein agrarisch bedrijf ), mag van de leidinggevende meer verwacht worden van de leidinggevende dan van degene die leiding geeft aan een onderneming met autonoom opererende professionals (bijvoorbeeld een ziekenhuis). 23
Een opvallende overeenkomst tussen de bestudeerde uitspraken, is dat het vrijwel steeds gaat om de aansprakelijkheid van een leidinggevende van een klein bedrijf. In vrijwel alle gevonden rechtszaken waarin het kwam tot een veroordeling voor het plegen van een milieudelict, waren er – voor zover op te maken uit de feiten – telkens geen of slechts enkele ondergeschikten. In de betreffende zaken ging het respectievelijk om een inrichting waarin afvalstoffen24 of asbesthoudende materialen25 werden opgeslagen; een varkenshouderij;26 en een tankstation.27 In de geselecteerde jurisprudentie was er steeds weinig discussie over de aanvaarding van het strafbare feit door de leidinggevende. Dat is ook niet zo vreemd, want de leidinggevende zal zich in een dergelijke situatie dichtbij het vuur bevinden. Het lijkt erop dat de aangesproken leidinggevende steeds initiator is van de verboden gedraging, of in ieder geval op de hoogte is van en betrokken is bij de delictsgedraging, waardoor het aanvaardingsvereiste in de bestudeerde jurisprudentie geen rol van betekenis speelt.28
Deze tendens kan ten onrechte het beeld oproepen dat plegerschap slechts is weggelegd voor situaties waarin de aangesproken natuurlijke persoon leiding geeft in een klein, overzichtelijk samenwerkingsverband waarbij de leidinggevende zelf nauw betrokken is bij de verboden gedragingen. Dat het ook mogelijk is om een pleger aan te wijzen bij complexere situaties blijkt uit de eerder besproken zaak van Hof Amsterdam van 10 juni 2016 inzake de aansprakelijkheid van de DTA.29 De sloop van de Osdorpflats is een groot project waarbij veel partijen met deels overlappende taken betrokken zijn. Doordat de DTA niet goed gecontroleerd had of het asbest goed was verwijderd, kwam het tot een milieudelict (namelijk het verrichten van handelingen met asbest). De Osdorpflat-uitspraak illustreert dat ook in complexere situaties, en ook met een indirectere, passievere rol van de leidinggevende, het aanvaardingscriterium kan worden vervuld.30
Als een leidinggevende al weet dat een verboden gedraging zal voorvallen – bijvoorbeeld op basis van signalen van de werkvloer of ten gevolge van het gevoerde beleid – dan is deze eerder gehouden om in te grijpen. Dergelijke kennis leidt als het ware, in de woorden van Wolswijk, tot een verhoogde zorgplicht.31 Het is echter niet nodig dat de leidinggevende beschikt over (gedetailleerde) kennis van de concrete ten laste gelegde gedraging; kennis van een soortgelijke gedraging voldoet. De Hullu wijst erop dat de aanvaarding van een concrete handeling niet altijd kan worden vastgesteld, maar dat die aanvaarding ook niet nodig is omdat de kern van het verwijt zich juist richt op het patroon van gedragingen: “in dat stelselmatige, gewone van het gedrag wordt de grondslag voor de toerekening gevonden”.32 Dat een verboden gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de betreffende onderneming, is dan ook een sterke aanwijzing dat de leidinggevende de gedraging heeft aanvaard.33
Maar zelfs als de leidinggevende helemaal niet op de hoogte was van het concrete ten laste gelegde feit of soortgelijke gedragingen, kan de verboden gedraging hem of haar onder omstandigheden worden toegerekend. Gelet op het geobjectiveerde karakter van het aanvaardingscriterium, draait het immers om de vraag of de functionele pleger op de hoogte had moeten zijn.
De casus van de eerder besproken Brijvoer-uitspraak kan dit illustreren. De directeur beweerde niet op de hoogte te zijn van het morsen van brijvoer; dit zou de schuld zijn geweest van onzorgvuldige vrachtwagenchauffeurs, die ’s nachts, buiten zijn weten om, op onzorgvuldige wijze en zonder de rommel op te ruimen, brijvoer hadden gelost.34 Dit argument stond echter niet aan de toerekening aan de directeur in de weg; de rechtbank wijst erop dat de verdachte als vergunninghouder verplicht is adequate controle uit te oefenen op de bedrijfsvoering.35
Indien er een zorgplicht bestond om op de hoogte te zijn van de betreffende gedraging, kan de leidinggevende de toerekening van een verboden gedraging dus niet ontlopen door struisvogelgedrag. Maar let wel, de toerekening van een verboden gedraging aan een onwetende leidinggevende is geen automatisme. Een goed voorbeeld van een geval waarin de leidinggevende een verboden gedraging – het lozen op oppervlaktewater (art. 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren) – niét heeft aanvaard, betreft het Binnentanker-arrest.36 Deze zaak draait om de aansprakelijkheid voor het morsen van gasolie37 bij het tanken van een binnenvaartschip. Door een defect in de stuurboordtanks is de olie via een afblaasventiel ontsnapt. Het was de eerste keer dat dit gebeurde, en het schip beschikte over de benodigde papieren en gekwalificeerde bemanning. De verdachte is eigenares van het schip, en was zelf niet aanwezig bij het tanken. Het hof meent toch dat de verdachte in strijd heeft gehandeld met de Wet verontreiniging oppervlaktewater, en overweegt als volgt:
“Als eigenares van het betrokken schip is verdachte verantwoordelijk voor de staat van onderhoud waarin het schip zich bevindt. Een mankement aan een schip komt in beginsel voor rekening en strafrechtelijke verantwoording van de eigenaar van het schip en aangezien niet aannemelijk is geworden dat de verdachte er alles aan heeft gedaan om het onderhavige feit te voorkomen, verwerpt het hof het beroep op afwezigheid van alle schuld.”
De verdediging wijst erop dat de verdachte in ieder geval geen fysieke pleger is, omdat ze niet aanwezig was ten tijde van de verboden gedraging. Er kan volgens de verdediging ook geen sprake zijn van functioneel daderschap: de verdachte zou niet over het morsen van olie kunnen beschikken omdat er sprake is van een defect, en van aanvaarding was geen sprake gelet op de goede staat van het schip.38 De AG is het eens met de verdediging, en geeft het hof een veeg uit de pan:
“Hoe men ook het functioneel daderschap invult, hetzij als een soort toerekening van andermans fysiek daderschap, hetzij als een ruime interpretatie van de delictshandeling, de enkele vaststelling dat een natuurlijk persoon eigenaar is van een schip is onvoldoende om voor het lozen van olie in het oppervlaktewater zulk daderschap van die natuurlijke persoon aan te nemen. Zo een vaststelling is onvoldoende om bijvoorbeeld aan te kunnen nemen dat aan de IJzerdraad-criteria is voldaan. Evenmin laat zij toe anderszins te concluderen tot een betrokkenheid bij het feitelijk handelen die strafrechtelijke aansprakelijkheid als dader zou kunnen rechtvaardigen.”
De Hoge Raad volgt de conclusie en vernietigt het arrest. Ter motivering wijst de Hoge Raad erop dat de bewijsmiddelen er slechts toe strekken dat verdachte eigenares is, maar dat die enkele omstandigheid onvoldoende is om de verdachte als dader aan te merken.39 Helaas gaat de Hoge Raad in de motivering niet nader in op de IJzerdraadcriteria.40