Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.3.5
II.3.5 Tussenconclusie
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460505:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Rb. Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4153, M&R 2014/140, m.nt. Van Ham.
HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9326, NJ 2010/23, conclusie PG Vegter ECLI:NL:PHR:2009:BI9326.
Hof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2232, JBO 2016/177, m.nt. Van der Meijden (Asbest Osdorpflats).
Zie voor verdere verwijzingen par. II.3.4.5 onder aanvaarding.
Hornman 2016a, p. 40.
Enkele voorbeelden uit het milieurecht waarbij – voor zover af te leiden uit de feiten – in plaats van feitelijk leidinggeven of medeplegen de verdachte ook aangesproken had kunnen worden als pleger: Hof ‘s-Hertogenbosch 16 september 2020, ECLI:NL:RBOBR:2018:2869; Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11471 (Directeur Edelchemie); Hof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3684; HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2247, M&R 2019/75, m.nt. Tubbing; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:505, M&R 2017/55, m.nt. Tubbing; Rb. Utrecht 24 september 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3892, t.a.v. feit 1 en 2; Rb. Utrecht 24 september 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3949, t.a.v. feit 3, 4 en 6; Rb. Den Haag 18 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8694; Hof ’s-Hertogenbosch 22 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3500.
In deze paragraaf heb ik de criteria voor het plegerschap besproken, en bestudeerd hoe deze daderschapsvorm wordt toegepast in het milieustrafrecht, meer specifiek in gevallen waarin een natuurlijk persoon met een leidinggevende functie binnen een onderneming aansprakelijk wordt gesteld als pleger van een milieudelict.
Voor het plegen van een milieudelict moet de leidinggevende zelf alle bestanddelen vervullen. Dat betekent dat de leidinggevende normadressaat moet zijn van het geschonden voorschrift, en als er een subjectief bestanddeel is dan moet de vereiste mate van schuld of opzet bij de leidinggevende aanwezig zijn. Deze aspecten kwamen eerder aan bod in par. II.2.6 en par. II.2.7. In deze paragraaf heb ik me met name gericht op de objectieve zijde van het delict, meer specifiek op de vraag of een leidinggevende de delictsgedraging heeft verricht.
De leidinggevende kan de delictsgedraging op meerdere manieren verrichten. In de eerste plaats kan een leidinggevende eigenhandig de verboden gedraging verrichten, dan wordt hij aangemerkt als ‘fysieke pleger’.1 In bedrijfscontext zal de tenuitvoerlegging van veel milieudelicten echter geschieden met tussenkomst van anderen, en dan ligt de aansprakelijkheidsfiguur ‘functioneel plegen’ meer voor de hand. In de bestudeerde jurisprudentie verloopt het vaststellen van functioneel plegerschap veelal impliciet, en wanneer de rechter of verdediging wel overwegingen of argumenten aan deze kwestie wijdt, wordt het functionele plegerschap vaker gebaseerd op een (functionele) delictsinterpretatie dan op de toerekeningsformule uit het IJzerdraad-arrest. Als discussie mogelijk is of het gedrag van de leidinggevende beantwoordt aan de delictsgedraging, verdient het mijns inziens aanbeveling dat rechters in hun overwegingen en partijen in hun argumentatie expliciteren waarom de verdachte (niet) voldoet aan de IJzerdraad-criteria c.q. waarom diens gedragingen al dan niet beantwoorden aan een (functioneel geïnterpreteerde) delictsomschrijving. Ondanks het beperkte aantal rechtszaken en overwegingen, heeft de bestudering van de jurisprudentie en de criteria de volgende aanknopingspunten opgeleverd voor het functionele plegerschap van leidinggevenden in het milieustrafrecht.
Een belangrijk inzicht dat ter sprake kwam in deze paragraaf, is dat delictsgedragingen uit het milieustrafrecht in beginsel niet té fysiek geïnterpreteerd moeten worden.2 Een functionele uitleg past goed bij de aard en toepassingsgebied van milieudelicten, en daardoor kan de leidinggevende ook zonder dat toerekening nodig is op basis van diens eigen handelen doch zonder zijn handen te bevuilen een milieudelict plegen. Er zijn echter uitzonderingen, bijvoorbeeld als de wetstekst of wetsgeschiedenis (nadrukkelijk) in de richting wijzen van een fysiek handelingsbegrip.3
Natuurlijk kan het functionele plegerschap ook worden vastgesteld op basis van de IJzerdraadformule. In de milieurechtjurisprudentie werd de toerekeningsformule uit het IJzerdraad-arrest helaas zelden (expliciet) toegepast, maar op basis van algemene strafrechtelijke literatuur en de standaardarresten kan wel een aantal handvatten worden onderscheiden voor het functionele plegerschap van leidinggevenden. Van een leidinggevende kan in beginsel worden verwacht dat deze zijn werknemers kan terugfluiten wanneer zich een mogelijke schending van een milieunorm aandient. Daarom zal een leidinggevende in het kader van een milieudelict doorgaans voldoen aan het beschikkingscriterium. Immers is het voldoende dat de functionele pleger feitelijk een reële mogelijkheid had om in te grijpen, en het is onwaarschijnlijk – doch niet ondenkbaar – dat een ondergeschikte een opdracht tot de naleving van de toepasselijke milieuvoorschriften van zijn leidinggevende in de wind zal slaan. De formele positie van de leidinggevende zorgt voor een vermoeden van beschikkingsmacht, maar het is geen automatisme. Gelet op het feitelijke karakter van het beschikkingsmachtcriterium, kan in een concreet geval een leidinggevende het niet in de macht hebben een milieudelict te voorkomen en dus ontbreekt ook beschikkingsmacht.
Een belangrijke stap in de toerekening aan een leidinggevende, betreft de vraag of de leidinggevende het milieudelict heeft aanvaard. Telkens moet bewezen worden dat de leidinggevende ten minste diens zorgplicht heeft geschonden met het oog op het voorkomen van de verboden gedraging. Een belangrijke aanwijzing voor het schenden van een zorgplicht is de aanwezigheid van kennis omtrent het strafbare feit. De bestudeerde jurisprudentie laat zien dat bij een klein, overzichtelijk bedrijf deze kennis al snel geacht wordt aanwezig te zijn; de leidinggevende zit dan dicht op het vuur.4 Maar ook bij complexere samenwerkingsverbanden en met een indirectere bijdrage van de leidinggevende, kan het aanvaardingscriterium worden vervuld.5 Dit hangt samen met de aard van milieunormen; indien de werkzaamheden van een onderneming een impact op het milieu of volksgezondheid kunnen hebben, mag van de leidinggevenden worden verwacht dat ze goed toezicht houden op de bezigheden en sturen op normconform handelen.
De IJzerdraad-criteria lijken bij uitstek geschikt voor de aansprakelijkheid van leidinggevenden voor milieudelicten in een bedrijfscontext. Vanwege hun hiërarchische positie zullen leidinggevenden in de regel voldoende beschikkingsmacht hebben. Als de leidinggevende zelf het milieudelict heeft geïnitieerd of nauw betrokken is geweest bij de verboden gedraging, hetgeen in veel strafzaken het geval is, zal toerekening dus al snel redelijk zijn. Maar de leidinggevende kan ook voldoen aan het aanvaardingscriterium door het schenden van een zorgplicht. Bovendien zijn veel milieuvoorschriften (mede) gericht tot leidinggevenden, dus zij kunnen zelf het kwalitatieve bestanddeel vervullen. Voor het plegerschap zal de leidinggevende wel zelf het subjectieve bestanddeel moeten vervullen, maar bij veel milieudelicten zal deze hobbel snel genomen zijn. Gelet op deze omstandigheden, is (functioneel) plegerschap in veel gevallen de meest geëigende aansprakelijkheidsfiguur voor bestuurdersaansprakelijkheid in het milieustrafrecht. Uit het jurisprudentieonderzoek blijkt echter dat deze daderschapsvorm niet optimaal wordt benut; opmerkelijk genoeg wordt slechts zelden aan leidinggevenden ten laste gelegd dat ze een milieudelict gepleegd hebben, en ook lijken sommige rechters een voorkeur te hebben om de aansprakelijkheid te laten lopen via een deelnemingsfiguur feitelijk leidinggeven, waarover hierna in paragraaf II.5.4 meer.6 Later in dit hoofdstuk, in paragraaf II.6, sta ik uitvoeriger stil bij de vraag welke daderschapsvorm het meest geëigend is voor de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.