Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.3.2.4
3.3.2.4 Nevenvorderingen
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657531:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Nispen 1978, p. 349.
Gielen 2017, p. 740-744.
HR 27 november 1988, ECLI:NL:HR:1987:AD0091, NJ 1988/722, m.nt. D.W.F. Verkade (Chloé/Peeters). Waarbij overigens alleen de A-G expliciet wees op de noodzaak van een rechtsplicht.
HR 23 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1044, NJ 1990/664, m.nt. D.W.F. Verkade (SKF/Hameco).
Zie bijvoorbeeld: art. 2.22 lid 7 en 3.18 lid 7 BVIE; art. 70 leden 7 en 12 ROW, art. 70 leden 8 en 12 ZPW 2005; art. 28 leden 1 en 10 Aw; art. 17 lid 1 en art. 18a WNR. Dat lijkt uiteraard evengoed in strijd met de overeenstemmingseis omdat het een vorderingsrecht is zonder dat expliciet een recht of plicht is gecreëerd. Ten aanzien van door de wetgever gecreëerde nevenvorderingen zou echter nog wel kunnen worden betoogd dat – het adagium ubi ius ibi remedium omkerende – als de wetgever een remedie creëert, eveneens een recht ontstaat. De creatie van een dergelijk recht door de wetgever is makkelijker te aanvaarden omdat het democratisch mandaat van de wetgever die creatie rechtvaardigt.
Zie bijv. t.a.v. laster op websites gehost door een provider: Rb. Amsterdam 25 april 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AE1935 (Deutsche Bahn/XS4ALL); HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4019, NJ 2009/550, m.nt. P.B. Hugenholtz (Lycos/Pessers). T.a.v nauwe met IE-recht verbonden onrechtmatige gedragingen: oneerlijke mededinging door vergelijkende reclame: Rb. Haarlem 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:RBHAA:2002:AE2465 (KPN/Pretium); Rb. Den Haag 8 november 2016, ECLI:NL:RBHDHA:2016:13311 (Natuurlijk beter leven & Aliter Cura/X); slaafse nabootsing: Rb. Den Bosch 2 mei 2006, ECLI:NL:RBSHE:2006:AX0691 (Inter Shop/Free Time Products c.s.).
Van Nispen 1978, p. 353.
Van Nispen 1978, p. 351-352.
Sub 2.6-2.9 en 2.17-2.18 Conclusie A-G Asser ECLI:NL:PHR:1990:AD1044 bij HR 23 februari 1990, NJ 1990/664, m.nt. D.W.F. Verkade (SKF/Hameco); Sub 2.14-2.15 en 3.5 Conclusie A-G Asser ECLI:NL:PHR:1987:AD0091 bij HR 27 november 1988, NJ 1988/722, m.nt. D.W.F. Verkade (Chloé/Peeters).
Tot slot lijkt de eis in het IE-recht in het verleden nogal eens los te zijn gelaten. Naast een vordering tot het staken en gestaakt houden van inbreuk, stellen rechthebbenden doorgaans ook enkele zogenoemde nevenvorderingen in.1 Nevenvorderingen zien bijvoorbeeld op de vernietiging van de inbreukmakende goederen, het doen van opgave van toeleveranciers of afnemers, of een ‘recall’-bevel.2 De meeste van die nevenvorderingen zijn inmiddels gecodificeerd, maar het feit dat ze nog altijd worden toegewezen in gevallen waar geen wettelijke basis is aan te wijzen trekt de overeenstemmingseis wel in twijfel.
Aanvankelijk leek de Hoge Raad ook bij zulke nevenvorderingen de overeenstemmingseis te volgen. In Chloe/Peeters had het hof een vordering tot opgave van namen en adressen van toeleveranciers van inbreukmakende producten afgewezen omdat daartoe geen rechtsplicht bestond. Zowel A-G Asser als de Hoge Raad kon zich hierin vinden: het was onvoldoende duidelijk geworden waarom Peeters opgave zou moeten doen.3 Twee jaar later oordeelde de Hoge Raad in SKF/Hameco echter dat voor toewijzing van een dergelijke vordering geen onrechtmatig handelen vereist is. Hameco klaagde over de toewijzing van de nevenvordering tot verstrekking van een lijst met namen en adressen van afnemers aan SKF omdat het hof niet eerst had vastgesteld dat daar een rechtsplicht toe bestond. De Hoge Raad reageerde afwijzend:
“Het onderdeel faalt, omdat voor zulk een veroordeling zulk een onrechtmatig handelen jegens SKF niet vereist was. De rechter kan op vordering van degene jegens wie een onrechtmatige daad is gepleegd, naast een veroordeling om zaken door middel waarvan de onrechtmatige daad is gepleegd van afnemers terug te nemen, de aansprakelijke persoon veroordelen op een door de rechter te bepalen wijze een lijst van afnemers van die zaken te verstrekken. Zulks vormt, zoals het hof het uitdrukt, een deugdelijk middel om na te gaan of gedaagde aan de veroordeling de zaken terug te nemen voldoet en daarmede een aanvaardbaar zijdelings middel om nakoming van deze veroordeling te verzekeren.”4
Hiermee lijkt de Hoge Raad een algemene bevoegdheid van de rechter te creëren nevenvorderingen toe te wijzen om nakoming van de veroordeling te verzekeren. Inmiddels gebeurt dat in het IE-recht op grond van een expliciete wettelijke basis,5 maar daarbuiten gebeurt het nog altijd op basis van deze rechtspraak.6
Van Nispen betoogt dat dit geen probleem is. Volgens hem hoeven nevenvorderingen ook niet te stoelen op een rechtsplicht, omdat zij gerechtvaardigd worden door de behoefte executiegeschillen te voorkomen.7 Hij onderschrijft weliswaar dat het afgeven van namen en adressen van leveranciers of afnemers soms (onnodig) schadelijk kan zijn voor de inbreukmakende partij, maar ziet dat liever opgelost door de informatie aan een onafhankelijke derde te verschaffen.8 Dat is op zichzelf een pragmatische oplossing, maar lost dat probleem alleen op voor deze specifieke nevenvordering. Bij andere nevenvorderingen zijn andere problemen denkbaar. Gevolg zou zijn dat een lappendeken aan oplossingen nodig is om dit probleem te ondervangen. De rechtszekerheid is daar nu niet bepaald mee gediend en de overeenstemmingseis wordt nog steeds geweld aangedaan.
Dat betekent uiteraard niet dat de bevelen die nu als ‘nevenvorderingen’ worden toegewezen, met een goede redenering niet als ‘hoofdvordering’ toegewezen zouden kunnen worden. Zoals A-G Asser in zowel Chloe/Peeters als SKG/Hameco laat zien, is het in veel gevallen heel goed mogelijk een rechtsplicht te vinden om goederen af te geven, namen te verstrekken of producten te vernietigen.9 Ook hier geldt weer dat dat soms zal lukken en soms niet. Lukt dat, dan is er niets mis met de toewijzing van de vordering. Lukt dat niet, dan is het blijkbaar het goed recht van de inbreukmaker om goederen niet af te geven, niet te vernietigen, of niet zijn leveranciers en afnemers te noemen.
Het feit dat de meeste nevenvorderingen in het IE-recht inmiddels van een wettelijke basis zijn voorzien, is veelzeggend. Ook hier moet gelden dat de veroordeling wel een wettelijke grondslag moet bieden. Artikel 3:296 BW kan die grondslag bieden, maar dan moet wel naar een zekere rechtsplicht worden gezocht. Gebeurt dat niet, dan lijkt voor een ‘nevenvordering’ alleen plaats als daar een andere grondslag voor kan worden gevonden.