Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.3.2
3.3.2 Redenen voor niet-vervolging: de sepotgronden
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Voetnoten
Voetnoten
Daarover uitgebreid onder andere Corstens & Tak 1982, p. 104-116. Zie over het sepotbeleid verder Teijl 2004.
Van Dijck 2003, p. 242-245.
Over de verhouding tussen technische sepots en beleidssepots wordt verder ingegaan in paragraaf 4.2.4.
Werkgroep ’Rubricering sepotgronden’ 1978.
Werkmap rubricering sepotgronden 1979.
Handleiding rubricering sepotgronden 1983.
Rubricering sepotgronden 1986.
Registratienummer 1999I006.
Registratienummer 2007A012, Stcrt. 2008, nr. 19.
Registratienummer 2008A029, Stcrt. 2009, nr. 795.
Registratienummer 2009A016g, Stcrt. 2012, nr. 26859.
Corstens 1974, p. 23; Corstens/Borgers 2011, p. 525; Van Dijck 2003, p. 245-249.
Zie ook de vraag van het Kamerlid Van Oven naar aanleiding van een geseponeerde moordzaak: Aanhangsel Handelingen II 2000/01, nr. 695.
Aanwijzing gebruik sepotgronden, Stcrt. 2012, nr. 26859, p. 3-4.
Corstens/Borgers 2011, p. 528.
Corstens/Borgers 2011, p. 529.
Op welke gronden door het om wordt besloten wat de meest adequate strafrechtelijke reactie is, blijkt onder andere uit de rubricering van sepots in sepotgronden.1 Die rubricering geeft althans een indruk van de belangen die in concrete gevallen meespelen bij de vervolgingsbeslissing, en die blijkbaar van zodanig gewicht kunnen zijn dat vervolging niet opportuun is. De lijst van sepotgronden geeft echter alleen een indicatie van redenen waarom niet tot vervolging wordt overgegaan, niet van redenen waarom wel zou moeten worden vervolgd. Daarom past dit instrument vooral bij een negatieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel. Deze beperkingen in aanmerking genomen is er echter voldoende reden om deze sepotgronden nader te beschouwen.
Onvoorwaardelijke sepots worden gerubriceerd in de hoofdcategorieën technische sepots en beleidssepots. Alleen het beleidssepot wordt geacht gebaseerd te zijn op overwegingen omtrent het algemeen belang. Voor een technisch sepot wordt gekozen wanneer een veroordeling onhaalbaar lijkt. Soms is een technisch sepot echter een vermomd beleidssepot, wanneer een feit wordt ‘weggeseponeerd’.2 Het onderscheid tussen beleidssepots en technische sepots is daarom minder eenduidig dan het op het eerste gezicht lijkt. Ook een beslissing om in een voorlopig nog niet bewijsbare zaak, niet actief op zoek te gaan naar meer bewijsmateriaal, wanneer dat wel mogelijk zou zijn, is een beleidsbeslissing, maar daarop volgt wel een technisch sepot wegens gebrek aan bewijs.3 In beginsel vallen technische sepots buiten de reikwijdte van dit onderzoek, met de kanttekening dat technische en beleidssepots niet strikt kunnen worden gescheiden.
In 1976 werd op het ministerie van Justitie blijkbaar de behoefte gevoeld om redenen voor niet-vervolging te categoriseren, want op 25 oktober van dat jaar stelde de Minister van Justitie bij beschikking een werkgroep ‘Rubricering sepotgronden’ in. Deze werkgroep stond onder leiding van W.H. Overbeek, en publiceerde in 1978 een rapport.4 Van dit rapport werd vervolgens een uittreksel gemaakt, dat als ‘werkmap rubricering sepotgronden’ in 1979 werd uitgegeven.5 Het Ministerie van Justitie gaf in 1983 een handleiding uit ter vervanging van deze werkmap.6 Het is moeilijk te achterhalen, maar mogelijk is er in 1986 door het Ministerie een nieuwe versie uitgegeven. 7 Deze documenten betroffen alle categoriseringen van de verschillende in de praktijk door de leden van het om gehanteerde redenen om geen vervolging in te stellen, waarbij het initiatief tot de inventarisatie dus uitging van het Ministerie van Justitie.
Het initiatief werd later overgenomen door het om. Op 26 september 1999 stelde het College van Procureurs-generaal een Instructie sepotgronden vast, die in werking trad op 15 juli van dat jaar.8 De Handleiding rubricering sepotgronden verviel hiermee. Op 6 augustus 2007 stelde het College van Procureurs-generaal een Aanwijzing gebruik sepotgronden vast, die op 1 februari 2008 in werking trad en waarmee de Instructie sepotgronden verviel.9 Door het College werd een gewijzigde versie van deze aanwijzing vastgesteld op 15 december 2008, in werking tredend op 1 februari 2009,10 op 4 december 2012 gevolgd door weer een gewijzigde versie, die in werking trad op 1 januari 2013.11
Sinds 1 februari 2008 is daarmee een opvallende wijziging in de juridische status van de sepotgronden opgetreden, vanwege het verschil tussen de beleidsdocumenten van de instructie en de aanwijzing. Instructies die door het om worden uitgevaardigd zijn voor intern gebruik en binden de leden van het om, maar worden niet gepubliceerd. Aanwijzingen binden de leden van het om ook, en worden tevens gepubliceerd. Dat de sepotgronden en de toelichting daarop inmiddels worden gepubliceerd in aanwijzingen, betekent dat ze gelden als recht in de zin van artikel 79 ro, en dat ze in rechte kunnen worden ingeroepen wanneer daarop gerechtvaardigd is vertrouwd. De vraag is wel hoe dat vertrouwen in de context van de Aanwijzing sepotgronden precies moet worden gezien. Wellicht is het mogelijk dat een verdachte van een strafbaar feit zich beroept op schending van het vertrouwensbeginsel, omdat hij van mening is dat er een sepotgrond van toepassing is. Daarbij zal hij ongetwijfeld geholpen zijn als in de toelichting bij een sepotgrond redenen worden genoemd of categorieën van zaken worden omschreven die aansluiten bij de zaak in kwestie.
Elke sepotgrond heeft in het systeem van de aanwijzing een nummer gekregen, waarbij de nummers onder de twintig gereserveerd zijn voor gronden voor een technisch sepot en die daarboven voor gronden voor een beleidssepot. Verder zijn de beleidssepots in meerdere categorieën onderverdeeld, waarvan de nummers steeds beginnen met een veelvoud van tien.
Technische sepots worden onderverdeeld in negen sepotgronden, namelijk ‘ten onrechte als verdachte vermeld’ (sepotcode 01), ‘onvoldoende bewijs’ (02), ‘niet ontvankelijk’ (03), ‘burgerlijke rechter niet bevoegd’ (04), ‘feit niet strafbaar’ (05), ‘dader niet strafbaar’ (06), ‘onrechtmatig verkregen bewijs’ (07), ‘bestuurlijke boete: strafrechter niet bevoegd’ (08) en ‘rechtmatige geweldsaanwending (politie)ambtenaar’ (09). Deze gronden voor technische sepots, die negatieve eindbeslissingen zijn over de haalbaarheid van de vervolging, geven duidelijk weer dat in de beslissingen over de haalbaarheid van de vervolging geanticipeerd wordt op het oordeel van de rechter, indien de zaak vervolgd zou worden.12 Het beslissingsschema van artikel 348 en 350 Sv dat de strafrechter gebruikt, klinkt door in de verschillende gronden waarop een technisch sepot kan zijn gebaseerd. De grond ‘ten onrechte als verdachte vermeld’ biedt ruimte voor een negatief oordeel over de eerste hoofdvraag van artikel 350 Sv, maar kan misschien ook aangemerkt worden als een oordeel over de geldigheid van de dagvaarding. De grond ‘onrechtmatig verkregen bewijs’ is eerder een anticipatie op mogelijke bewijsuitsluiting krachtens artikel 359a Sv, waarmee, afhankelijk van de sanctie op de onrechtmatigheid, op verschillende onderdelen van het beslissingsmodel geanticipeerd wordt. Deze gronden voor een technisch sepot zijn overigens ook voor een groot deel terug te vinden in de gronden die moeten worden opgenomen in de kennisgeving van niet verdere vervolging (artikel 247 Sv). In dit artikel wordt gesproken van de volgende gronden: onbevoegdheid van de rechtbank (artikel 247 onder a Sv), vereniging met een strafzaak bij een andere rechtbank (b), niet-ontvankelijkheid van het om (c), niet-strafbaarheid van het feit of van de verdachte (d) en onvoldoende aanwijzingen van schuld (e). Deze opsomming is niet uitputtend, als de kennisgeving van niet verdere vervolging niet op één van de genoemde gronden gebaseerd is hoeft er geen te worden vermeld.13
De laatste twee gronden voor een technisch sepot, met codes 08 en 09, zijn vrij recent opgenomen in de aanwijzing. De grond ‘bestuurlijke boete: strafrechter niet bevoegd’ dient daarbij om, in gevallen waarin een feit bestuursrechtelijk wordt afgedaan en strafrechtelijke handhaving wettelijk is voorbehouden tot bijvoorbeeld gevallen van recidive, een sepot te baseren op de onbevoegdheid van de strafrechter. De sepotgrond ‘rechtmatige geweldsaanwending (politie) ambtenaar’ is volgens het om opgenomen omdat het een specifieke categorie zaken betreft. Op zich zouden deze zaken, waarbij gehandeld is binnen de wettelijke kaders, bijvoorbeeld van de Ambtsinstructie, ook geseponeerd kunnen worden met als reden ‘feit niet strafbaar’. Het om heeft er echter voor gekozen om een aparte grond daarvoor op te nemen, wellicht om dergelijke zaken apart te administreren zodat ze in de vorming van beleid beter zichtbaar zijn.
De beleidssepots worden door het om niet alleen ingedeeld in gronden, maar deze gronden worden bovendien gegroepeerd in categorieën. Daarbij wordt onder meer onderscheid gemaakt naar de manier waarop opvolging gegeven wordt aan een sepot. Het gaat dan om de overdracht van de zaak aan andere instanties, zoals aan een militaire instantie, aan justitie in het buitenland of bijvoorbeeld aan de Inspectie voor de gezondheidszorg. Een ander onderscheid in sepots betreft de modaliteit ervan. Daarbij gaat het slechts om beleidssepots, want technische sepots zijn altijd onvoorwaardelijk: de overheid heeft daarbij immers erkend dat er geen wettelijke mogelijkheden zijn om strafvorderlijk ingrijpen op te baseren. Het om onderscheidt vier verschillende modaliteiten van beleidssepots. Het betreft ten eerste onvoorwaardelijke sepots zonder kennisgeving, ten tweede onvoorwaardelijke sepots met schriftelijke waarschuwing, ten derde onvoorwaardelijke sepots met mondelinge waarschuwing ten parkette en ten vierde voorwaardelijke sepots.14
Inhoudelijk worden de beleidssepots onderverdeeld in zeven categorieën. De eerste categorie, waarvan de sepotgronden genummerd zijn vanaf twintig, betreft ‘gronden samenhangende met maatregelen genomen of nog te nemen door anderen dan de officier van justitie’. De gronden die hieronder vallen verwijzen naar justitiële of bestuurlijke beslissingen. Onder de eerste grond, ‘ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert’ (code 20), worden sepots geadministreerd die gebaseerd zijn op de overweging dat ingrijpen van bestuurlijke of semi-strafrechtelijke aard vanwege billijkheid of doelmatigheid in het concrete geval prevaleert boven strafvervolging. Het kan daarbij gaan om ingrijpen dat al heeft plaatsgevonden, of dat nog verwacht wordt. Onder deze eerste categorie beleidssepots vallen ook de gronden die strafvervolging onwenselijk doen zijn vanwege de omstandigheid dat een bepaalde (jeugd-) maatregel is of wordt uitgevoerd: ‘civielrechtelijke jeugdmaatregel’ (code 21), ‘strafrechtelijke jeugdmaatregel’ (code 22) en ‘T.B.S.’ (code 23).
De tweede categorie is getiteld ‘gronden samenhangende met de algemene rechtsorde’. De eerste sepotgrond die daaronder valt, ‘landsbelang’ (code 30), wordt toegelicht met de woorden: ‘staatsveiligheid, ontzien van buitenlandse betrekkingen, voorkomen van ongewenste maatschappelijke onrust’. Onder deze sepotgrond kunnen dus sepots worden geadministreerd waartoe is besloten om redenen die samenhangen met de rechtstreekse belangen van de staat zelf. De tweede sepotgrond in deze categorie is getiteld ‘wetswijziging’ (code 31), die als volgt wordt toegelicht: ‘in verband met te verwachten wetswijziging op grond van wijziging van inzicht in strafbaarheid of strafwaardigheid’. Deze sepotgrond geeft daarmee de mogelijkheid te anticiperen op decriminalisering, maar is niet nodig om voltooide wetswijzigingen te verwerken: wanneer de strafbaarheid immers al is ontvallen aan een bepaalde overtreding, kan een technisch sepot volgen vanwege de reden dat het feit niet strafbaar is, waarbij de sepotgrond met code 05 wordt gebruikt. De derde en laatste sepotgrond in deze categorie betreft ‘onvoldoende nationaal belang’ (code 32). Deze grond wordt toegelicht met verschillende gezichtspunten: ‘voorkeur wordt gegeven aan berechting in het buitenland; de verdachte is uitgezet dan wel uitgeleverd; de verdachte verblijft in het buitenland en is niet bereikbaar, dan wel de kosten van vervolging wegen niet op tegen het te beschermen belang.’ Bij deze sepotgrond gaat het dus met name om de band tussen de Nederlandse rechtsorde en de verdachte in kwestie.
De derde categorie betreft ‘gronden samenhangende met het gepleegde feit’. Het gaat daarbij om sepotgronden die kunnen worden gebruikt wanneer geen strafvervolging wordt ingezet omdat dat ‘onevenredig zwaar’ zou zijn in verhouding tot datgene dat heeft plaatsgevonden, of dat vervolging ‘onbillijk of ondoelmatig wordt geacht’. Concreet gaat het om de volgende sepotgronden. De eerste grond is getiteld ‘gering feit’ (code 40), waarbij de toelichting luidt: ‘het gebeurde is een zo geringe inbreuk op de rechtsorde of heeft zo weinig schade veroorzaakt, dat een strafvervolging terzake het strafbare feit waaronder het is te brengen onevenredig zwaar zou zijn in verhouding tot wat heeft plaatsgevonden’. Er is een andere sepotgrond voor het geval dat het gepleegde feit op zich wel ernstig genoeg is om strafvervolging in te stellen, maar de bijdrage van de verdachte daaraan niet erg groot is. Het betreft sepotgrond ‘gering aandeel in feit’ (code 41), die wordt toegelicht met de volgende woorden: ‘het feit, door samenwerking van meer dan één persoon gepleegd, is op zich zelf wel ernstig genoeg voor een strafvervolging maar het aandeel van de verdachte daarin is zo gering, dat een strafvervolging van hem onevenredig zwaar zou zijn’. In aanvulling op deze gronden is er een sepotgrond opgenomen voor de situatie dat het gepleegde delict op zich wel strafwaardig is, maar dat een beroep op een strafuitsluitingsgrond een grensgeval zou zijn: ‘geringe strafwaardigheid van het feit’ (code 42). De toelichting hierop luidt: ‘hoewel aan de formele eisen van een strafbaar feit is voldaan en een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond (overmacht, noodweer e.d.) in strikte zin ontbreekt, is het gebeurde ten aanzien van een strafuitsluitingsgrond een zodanig randgeval dat een strafvervolging onevenredig zwaar zou zijn’. Vervolgens is er een sepotgrond ‘oud feit’ opgenomen (code 43), die wordt toegelicht met de woorden: ‘het belang van strafrechtelijk ingrijpen is te gering geworden in verband met de lange tijd die is verstreken na het plegen van het feit, hoewel dit nog niet verjaard is, of de ‘redelijke termijn’ van artikel 6 evrm is verstreken; vervolging kan daarom onbillijk of ondoelmatig worden geacht’. Ten slotte is er in deze categorie een grond opgenomen waaronder sepots kunnen worden geadministreerd die zijn gebaseerd op de omstandigheid dat het feit wordt gekenmerkt door ideologisch geladen conflicten of maatschappelijke belangentegenstellingen: ‘maatschappelijk belangenconflict’ (code 44). Deze grond wordt als volgt verduidelijkt: ‘hoewel formeel strafbaar, is het feit een uitvloeisel van een sociaal economisch of politiek conflict met een ideologische achtergrond dat zich moeilijk leent tot incidentele strafrechtelijke beoordeling en beïnvloeding; het is daarbij niet van zodanige ernst, dat strafvervolging desondanks geboden zou zijn als bijv. ernstige geweldsdaden; gedacht is aan bedrijfsbezettingen, kraken van woningen, alternatieve hulp aan minderjarigen e.d.’.
De vierde categorie heeft geen betrekking op het feit zelf, maar bevat ‘gronden samenhangend met de persoon van de verdachte’. Hieronder vallen allerlei persoonlijke situaties en persoonskenmerken die een reden kunnen zijn voor het om om het instellen van strafvervolging achterwege te laten. Het gaat daarbij allereerst om ‘leeftijd’ (code 50), waarbij is opgemerkt: ‘hoewel strafvervolging op grond van de leeftijd wel mogelijk is, wordt in verband met de jeugdige of gevorderde leeftijd vervolging niet doelmatig of te zwaar geacht’. Een volgende, meer met de persoonlijke omstandigheden dan met persoonskenmerken samenhangende grond betreft ‘recente bestraffing’ (code 51). Hierover wordt gezegd: ‘in verband met een recente strafoplegging (inclusief strafbeschikking), transactie, waarschuwing ten parkette of schriftelijke waarschuwing wordt een nieuwe strafvervolging overbodig geacht, omdat het feit, was het eerder bekend geweest, in die strafrechtelijke reactie zou zijn meegenomen (vgl. art 63 Sr)’. Een soortgelijke gerichtheid spreekt uit de sepotgrond ‘door feit of gevolgen getroffen’ (code 52). Op welke manier de verdachte door het feit of de gevolgen daarvan getroffen kan worden komt tot uitdrukking in de opsomming die in de toelichting wordt gegeven: ‘door eigen letsel; door letsel of verlies van naasten; in zijn maatschappelijke positie of in de verhouding tot zijn naaste omgeving; door ernstige financiële schade, rechtstreeks uit het feit voortvloeiend of door verplichte schadevergoeding; door een reactie van de overheid op het gepleegde feit, welke reactie voldoende representatief, te zwaar of minder juist blijkt te zijn geweest, bijv. inverzekeringstelling, hard politieoptreden of onjuiste formaliteiten’. Meer op de persoon van de verdachte zelf gericht is de sepotgrond ‘gezondheidstoestand’ (code 53). Volgens de toelichting heeft deze betrekking op ‘tijdelijke of permanente, zowel geestelijke als lichamelijke toestand van verdachte’. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het mogelijk in gevaar brengen van zijn resocialisatie zijn het onderwerp van de sepotgrond ‘reclasseringsbelang’ (code 54). De toelichting geeft aan dat voor deze grond kan worden gekozen wanneer ‘strafrechtelijk ingrijpen (...) hulpverlening door reclassering, kinderbescherming, dan wel andere instantie, [zou] doorkruisen’. Een daarmee samenhangende reden om niet tot vervolging over te gaan is neergelegd in de sepotgrond ‘gewijzigde omstandigheden’ (code 55). Deze heeft blijkens de toelichting betrekking op ‘verbeterd levensgedrag van verdachte; dan wel omstandigheden die tot het delict hebben geleid of die tot recidive zouden kunnen leiden, bestaan niet meer of zijn in belangrijke mate gewijzigd’. Verder is het nog mogelijk dat persoonlijke omstandigheden van de verdachte het bezwaarlijk maken om hem te vervolgen: ‘verdachte onvindbaar’ (code 56). Deze wordt als volgt toegelicht: ‘ondanks naspeuringen blijkt de verdachte niet te vinden, vervolging lijkt daarom weinig zin te hebben’. Ten slotte zijn er nog twee sepotgronden, ‘corporatie wordt vervolgd’ (code 57) en ‘leidinggevende wordt vervolgd’ (code 58) die beide niet zijn toegelicht in de Aanwijzing. Uit het onderling verband blijkt wel dat deze bedoeld zijn voor de situatie dat het om kan kiezen of het een rechtspersoon vervolgt, of de feitelijk leidinggever aan het door de rechtspersoon gepleegde feit. Deze sepotgronden geven voor beide keuzes de mogelijkheid om een motivering te geven waarom de zaak tegen de andere verdachte is geseponeerd.
De vijfde categorie betreft ‘gronden samenhangende met de verhouding tussen verdachte en benadeelde’. Daarbij gaat het allereerst om de sepotgrond ‘verhouding tot de benadeelde geregeld’ (code 70). De uitleg hierbij is helder: ‘het conflict is door verzoening of schadevergoeding zodanig opgelost, dat vervolging geen zin meer heeft’. Een ander aspect van de verhouding met de benadeelde komt naar voren in de sepotgrond ‘medeschuld van de benadeelde’ (code 71). Daarbij luidt de toelichting als volgt: ‘benadeelde heeft het feit uitgelokt of verdachte getergd of het hem zeer gemakkelijk gemaakt’. Deze twee sepotgronden over de verhouding tussen de verdachte en de benadeelde worden aangevuld met een grond waar soortgelijke gevallen onder worden gebracht: ‘vervolging in strijd met belang van benadeelde’ (code 72). De toelichting maakt duidelijk dat het hier om een restcategorie gaat: ‘hoewel niet een geval als genoemd in de voorgaande twee gronden (70-71) aanwezig is, brengt de benadeelde te respecteren redenen naar voren om geen vervolging in te stellen, vreest moeilijkheden, wil liever niet in de openbaarheid komen; er is niet een meer algemeen belang dat om vervolging vraagt’. Daarnaast is in deze categorie een grond opgenomen voor gevallen waarin geseponeerd wordt vanwege de ‘beperkte kring’ (code 73) waarin het feit is gepleegd. Deze grond wordt als volgt van een toelichting voorzien: ‘het feit heeft zich in zo beperkte kring afgespeeld – gezin, buren, e.d. – dat, in verband met de mate van ernst van het feit, onvoldoende gemeenschapsbelang aanwezig lijkt om een strafvervolging te rechtvaardigen’. De laatste sepotgrond in deze categorie betreft gevallen waarin aan de belangen van de benadeelde beter via een andere dan strafrechtelijke weg kan worden tegemoet gekomen: ‘civiel en administratief recht’ (code 74). De toelichting hierbij is tamelijk uitvoerig: ‘er is wel formeel een strafbaar feit te construeren – zoals verduistering, onttrekken aan beslag, zaakbeschadiging – maar het gemeenschapsbelang is zeer gering en de aan de benadeelde toegebrachte schade lijkt beter langs civielrechtelijke of administratiefrechtelijke weg te kunnen worden geregeld; er is geen reden tot overheidsingrijpen; partijen kunnen hun conflict beter onderling gerechtelijk uitvechten’.
De zesde categorie sepotgronden is enigszins afwijkend van de voorgaande, omdat het hierin gaat om gronden die uitsluitend van toepassing zijn wanneer de executie van een strafbeschikking beëindigd wordt. Er is dan al overgegaan tot vervolging, namelijk door het uitvaardigen van een strafbeschikking, maar wanneer de executie daarvan niet voltooid kan worden, bestaat er de mogelijkheid om niet tot dagvaarden over te gaan, en daarmee de zaak toch te seponeren. Voor die gevallen zijn aparte sepotgronden opgesteld, die voor een groot deel inhoudelijk overeenkomen met de sepotgronden die in de voorgaande categorieën zijn opgenomen. Wat de technische sepots betreft gaat het om slechts één grond: ‘beëindiging executie strafbeschikking: niet ontvankelijk’, die kan worden gebruikt om sepots te administreren van zaken waarin het recht op vervolging is verjaard sinds de oplegging van de strafbeschikking, en die dus nadat de executie van de strafbeschikking niet is voltooid, desondanks niet kunnen worden vervolgd. De overige sepotgronden die in deze categorie zijn opgenomen betreffen beleidssepots. Het gaat daarbij vooral om gronden die ook buiten deze specifieke context voorkomen: ‘civielrechtelijke jeugdmaatregel’, ‘strafrechtelijke jeugdmaatregel’, ‘T.B.S.’, ‘wetswijziging’, ‘onvoldoende nationaal belang’, ‘oud feit’, ‘leeftijd’, ‘recente bestraffing’, ‘door feit of gevolgen getroffen’, ‘gezondheidstoestand’, ‘reclasseringsbelang’, ‘gewijzigde omstandigheden’ en ‘verdachte onvindbaar’. Daarbij is nog één aanvullende grond opgenomen: ‘beëindiging executie strafbeschikking: gijzeling toegepast’ (code 98). Deze grond wordt als volgt toegelicht: ‘in deze gevallen wordt afgezien van het dagvaarden omdat de bestrafte reeds gegijzeld is geweest terzake de hem bij strafbeschikking opgelegde geldboete’.
Opvallend is wel dat enkele van de sepotgronden niet in deze laatste categorie voorkomen, alsof het niet goed denkbaar is dat die toepassing zouden kunnen vinden in gevallen waarin na het niet voltooien van de executie van de strafbeschikking om enige reden niet tot dagvaarden zou worden overgegaan. Een voorbeeld daarvan is de sepotgrond ‘landsbelang’, waarvan de verwachting blijkbaar is dat een dergelijke reden zich niet voordoet in zaken waarin oorspronkelijk een strafbeschikking is uitgevaardigd. Daarnaast is opvallend dat géén van de redenen uit de categorie van de gronden samenhangende met de verhouding tussen de verdachte en de benadeelde terugkomen. Daarentegen zijn alle gronden die samenhangen met de persoon van de verdachte ook in dit verband opgenomen. En van de gronden die samenhangen met het gepleegde feit is alleen de grond ‘oud feit’ beschikbaar. Die verschillen zijn uiteraard wel verklaarbaar: persoonlijke omstandigheden kunnen zich dusdanig ontwikkelen dat er sinds de uitvaardiging van de strafbeschikking een situatie is ontstaan dat de mislukte executie van de strafbeschikking niet meer hoeft te worden gevolgd door een strafvervolging. En wanneer het gepleegde feit blijkbaar ernstig genoeg was om het uitvaardigen van een strafbeschikking te rechtvaardigen, hoeft daarover geen hernieuwde beraadslaging plaats te vinden wanneer de executie daarvan mislukt; het feit wordt dan blijkbaar geacht ook ernstig genoeg te zijn om een strafvervolging te rechtvaardigen. Ook de verhouding met de benadeelde zal weinig veranderd zijn in de periode sinds de uitvaardiging van de strafbeschikking.
Als zevende en laatste categorie is er nog één grond opgenomen, maar dat betreft een administratief sepot (code 99) waarvoor gekozen kan worden wanneer een zaak dubbel in het administratiesysteem van het om is ingeboekt. Daarbij gaat het dus niet om een beleidssepot in eigenlijke zin.
Deze sepotgronden geven in ieder geval enig inzicht in de inhoud van het beleid dat door het Openbaar Ministerie wordt gevoerd, althans voor zover daar op landelijk niveau over nagedacht wordt. Lokale en regionale verschillen in het beleid kunnen niet uit de catalogus van sepotgronden naar voren komen.15 Verder zou dit instrument van de sepotgronden, wanneer zorgvuldig wordt geregistreerd hoeveel zaken onder welke grond worden geseponeerd, een middel kunnen zijn om het opsporingsbeleid zodanig aan te passen dat bepaalde typen zaken die structureel in een beleidssepot eindigen, al in de opsporingsfase aan het strafrechtelijke systeem worden onttrokken.16
Inhoudelijk gezien komt er een gemengd beeld uit de sepotgronden naar voren. Functioneel gezien passen ze met name bij een negatieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel, omdat ze uitzonderingsgronden vormen die kunnen worden gebruikt wanneer, in afwijking van de regel, niet tot vervolging wordt overgegaan. Wanneer het materiële strafrecht dusdanig is ingericht dat gedragingen die een strafbaar feit opleveren in beginsel voldoende strafwaardig zijn om vervolging te rechtvaardigen, zouden de sepotgronden beperkt kunnen blijven tot uitzonderingsgronden die met name met persoonlijke omstandigheden samenhangen, of althans niet rechtstreeks zijn verbonden met de ernst van het feit. In een dergelijke situatie is aan een correctie door middel van sepotgronden immers minder behoefte. De inhoud van de sepotgronden zoals hierboven weergegeven reflecteert een zodanige situatie echter niet. Daarin zijn namelijk wel verschillende gronden opgenomen die samenhangen met de persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden van andere bij het strafbare feit betrokken personen, maar daarnaast bevat de verzameling sepotgronden een aanzienlijk aantal gronden die met het feit samenhangen. Deze worden gebruikt om strafzaken te seponeren waarbij onvoldoende sprake is van een strafwaardig gedraging. Daarom kan ook niet worden gesteld dat de sepotgronden enkel de mogelijkheid bieden om niet tot vervolging over te gaan in gevallen waarin dat niet doelmatig wordt geacht.