Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.3.3:5.7.3.3 Onwaardigheid niet van rechtswege
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.3.3
5.7.3.3 Onwaardigheid niet van rechtswege
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859293:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 16.
Casman 2013, p. 21.
Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 15 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013) en Casman 2013, p. 21. Dit is alleen anders als er vergiffenis is geschonken, waarover nader par. 5.13.
Zie daarover ook par. 5.7.3.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 16.
Casman 2013, p. 21.
Boone, Not.Fisc.M. 2013/4, p. 106.
Casman 2013, p. 21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In tegenstelling tot de eerste twee onwaardigheidsgronden is bij artikel 4.6 § 1, 3° BBW geen sprake van onwaardigheid van rechtswege. Artikel 4.6 § 2 lid 3 BBW bepaalt dat de onwaardigheid een burgerlijke sanctie is die kan worden uitgesproken door de strafrechter die de erfgerechtigde schuldig bevindt aan een van de genoemde strafbare feiten. De onwaardigheid betreft dan een bijkomende civielrechtelijke sanctie.1 Wanneer de strafrechter een persoon die in aanmerking zou kunnen komen om als wettelijke erfgenaam tot de nalatenschap van het slachtoffer te worden geroepen, schuldig bevindt aan een van de genoemde misdrijven, dan kan hij ook de onwaardigheid om te erven uitspreken, waardoor de dader, mededader of medeplichtige van de nalatenschap van het slachtoffer wordt uitgesloten, zo volgt uit artikel 46 BSr. De dader is dan onwaardig voor het geval hij later als mogelijke erfgerechtigde tot de nalatenschap van zijn slachtoffer zou zijn geroepen.2 Tussen het uitspreken van de onwaardigheid en het overlijden van het slachtoffer kan geruime tijd verstrijken. De tijd heelt hier niet alle wonden. De onwaardigheid verjaart niet (art. 99 BSr) en speelt dus, ongeacht de termijn tussen de gepleegde feiten en het overlijden van het slachtoffer.3
De bevoegdheid om te oordelen over de onwaardigheid in deze gevallen is door de wetgever bewust exclusief bij de strafrechter neergelegd.4 Volgens de wetgever kan alleen de strafrechter met kennis van zaken oordelen over de ernst van de feiten en over het eventueel toevoegen, vanwege van de familiale context, van de bijkomende civiele sanctie van onwaardigheid. Op deze manier wordt vermeden dat de zaak aan de civiele rechter wordt voorgelegd die veel later van de feiten kennis neemt en die niet objectief over de feiten zou worden geïnstrueerd, omdat hij alleen zou kunnen oordelen over de elementen die door partijen zouden worden aangedragen. De strafrechter oordeelt daarentegen over een zaak waar een strafonderzoek naar is gevoerd en die dus grondiger en objectiever is onderzocht, aldus de Belgische wetgever.5
Er is dus geen sprake van een automatische koppeling tussen de strafrechtelijke schuldigbevinding en onwaardigheid. De wetgever heeft beoordelingsbevoegdheid toegekend aan de strafrechter.6 De onwaardigheid is facultatief.7 Dit brengt mee dat zowel het slachtoffer als het Openbaar Ministerie kunnen vragen c.q. vorderen dat de onwaardigheid als bijkomende civiele sanctie wordt uitgesproken. De strafrechter zal hierover dan afzonderlijk oordelen indien hij de dader schuldig bevindt aan een strafbaar feit als genoemd in artikel 4.6 § 1, 3° BBW.8 Dit systeem wijkt wezenlijk af van onwaardigheid naar Nederlands recht dat in alle gevallen van rechtswege werkt. Er bestaat bij artikel 4:3 BW geen ruimte voor de rechter om te beoordelen of de gedraging ernstig genoeg is om de sanctie van onwaardigheid te rechtvaardigen.