Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.2.2.1
4.2.2.1 In vogelvlucht: de erkenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661249:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Voor oudere rechtspraak inzake algemene beginselen van behoorlijk bestuur zie Geppaart 1969; Schut 1974, par. C.
Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.2.0.B (bijgewerkt tot 2 februari 2021).
Zeker bij het belastingrecht, vanwege zijn gebonden karakter (zie paragraaf 2.2.1).
Overigens heeft de Tariefcommissie in zijn algemeenheid al in een vroeger stadium dan de Hoge Raad de opvatting aanvaard dat de wet onder omstandigheden opzij gezet moest worden (zie TC 16 december 1957, nr. 8613 O; BNB 1958/107 en TC 29 april 1957, nr. 7875, BNB 1957/297). Dat kan volgens de literatuur mogelijk worden verklaard door de specifieke zaken die bij Tariefcommissie voorlagen, namelijk indirecte belastingen, die naar hun aard zijn bedoeld om te worden afgewenteld op de afnemer. Wanneer dat – door de gewekte verwachtingen – niet meer lukt, zou het wettelijk systeem worden ‘gefrustreerd’. Vgl. Geppaart 1969, p. 77, 91-92, die een onderscheid maakt tussen de jurisprudentie van de Hoge Raad enerzijds en de Tariefcommissie en hoven anderzijds. Vgl. De Blieck e.a. 2015, p. 291.
Geppaart 1979, par. 3, 7; Happé 1996, par. 1.1 en 1.2.
Van den Berge 2015, par. 8.
Van den Berge 2015, par. 8: ‘Lange tijd kon de belastingplichtige bij de belastingrechter het recht krijgen zoals dat, wat gechargeerd uitgedrukt, in de wet was vastgelegd, maar toepassing van een soepeler opvatting, neergelegd in een ministeriële resolutie, gericht aan de ambtenaren van de belastingdienst, kon door de belastingplichtigen in individuele gevallen voor de belastingrechter niet worden afgedwongen.’
Zo meent Van Soest 1973, p. 13 dat als het vertrouwen niet gewekt had mogen worden vanwege het ontbreken van discretionaire bevoegdheid, dan is het aan de Belastingdienst, niet aan de belastingplichtige, ‘om daarvan de wrange vruchten te plukken.’ Vgl. Geppaart 1984, p. 474 en aangehaalde literatuur; Gribnau 1998, p. 190-193; Geppaart 1979; Van Soest 1958; Scheltens in BNB 1970/78.
Volgens Niessen 2012, par. 5.2, heeft de samenleving, of althans de juridische gemeenschap geen genoegen willen nemen met’ het bestaan van min of meer ongeclausuleerde bevoegdheden van de administratie.’ Zie ook Gorissen 2008, par. 2.8.2; Geppaart 1984, p. 474.
Geppaart 1979, par. 5 onderscheidt zeven fasen in de aanvaarding van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; Niessen 2012, par. 5.5.
HR 12 april 1978, nr. 18 452, BNB 1978/135-137 (Doorbraakarresten), zie in paragraaf 4.2.3. Over de doorbraak zie in Geppaart 1979; Scheltens 1978, p. 721.
Volgens Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, Bijlage 1, punt 26 zou uitsluiting van contra legem werking van het vertrouwensbeginsel in het belastingrecht neerkomen op niet-erkenning van dat beginsel.
Aanvankelijk, tot eind jaren 70, was de Hoge Raad in het licht van het dwingende karakter van het belastingrecht niet bereid om juridische betekenis toe te kennen aan bij de burger gewekte verwachtingen door de Belastingdienst.1 Dat betekende dat als de Belastingdienst bijvoorbeeld een toezegging had gedaan aan een burger, maar vervolgens onverkort de wet toepaste, de belastingrechter geen ruimte zag de Belastingdienst te binden aan het gewekte vertrouwen. Dit moet volgens de literatuur worden geplaatst in de toen heersende visie op de rechter: deze werd beschouwd als ‘het spreekorgaan (la bouche de la loi)’ van de wetgever.2 De rechter diende de wet strikt toe te passen en hij mocht de door de wetgever uitgevaardigde algemene regels niet terzijde stellen of anders inkleuren.3 Tegen deze achtergrond beoordeelde de belastingrechter lange tijd uitsluitend of de Belastingdienst binnen de door de wet gestelde grenzen handelde. Voor toetsing aan algemene rechtsbeginselen, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zag de Hoge Raad geen ruimte.4 De Belastingdienst kon dan ook niet worden gebonden aan uitingen of gedragingen zonder aanwijsbare wettelijke basis.
Ondertussen was de praktijk van belastingheffing veranderd: de Belastingdienst maakte beleidsregels, deed toezeggingen, verstrekte inlichtingen en sloot compromissen, al dan niet strikt binnen het kader van de wet.5 Tegelijkertijd waren de bestaande kaders ter normering van het handelen van de Belastingdienst daarbij niet meer toereikend. Vanwege de strikte gelding van het legaliteitsbeginsel kon de rechter evenwel nauwelijks rekening houden met handelingen van de Belastingdienst die geen aanwijsbare wettelijke basis hadden.6 Die benadering riep volgens Van den Berge ‘steeds meer protesten’ op.7 Gezaghebbende auteurs als Van Soest, Geppaart en Scheltens bepleitten de erkenning van algemene rechtsbeginselen.8 In de fiscale literatuur werd dus in toenemende mate een koerswijziging gepropageerd.9
Eind jaren 70 gaat de Hoge Raad ‘om’.10 In de door Geppaart betitelde ‘Doorbraakarresten’ uit 1978 heeft de Hoge Raad voor het eerst geoordeeld dat de rechter niet alleen moet beoordelen of de Belastingdienst de wet op de juiste wijze heeft toegepast, maar dat de rechter zich ook kan uitspreken over de vraag of de fiscus in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld (paragraaf 4.4.2).11 Met deze arresten heeft de Hoge Raad principieel erkend dat het legaliteitsbeginsel onder omstandigheden moet wijken voor het vertrouwen dat de Belastingdienst heeft gewekt bij een belastingplichtige. Gevolg is dat de Belastingdienst kan worden gebonden aan zijn uitingen en gedragingen. Óók als de Belastingdienst daarbij geen beleidsvrijheid heeft, óók als dat leidt tot een uitkomst die in strijd is met de wet. Het vertrouwensbeginsel kan dus contra legem worden toegepast.12
De Doorbraakarresten betekenden dus een fundamentele koerswijziging van de Hoge Raad. Het belastingrecht kenmerkt zich immers door zijn dwingende karakter, waarbij de Belastingdienst geen discretionaire ruimte toekomt (paragraaf 2.2.1). Waarom ging de Hoge Raad ‘om’?