Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/7.2.1
7.2.1 Niemand kan meer rechten overdragen dan hij heeft
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS383435:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De samenstellers van het Coprus Iuris hebben deze regel als algemeen rechtsbeginsel aangezien. De oorsprong van de nemo-plusregel – die veelal in verband wordt gebracht met de klassieke tekst Gai Inst. 2,35 – kan worden herleid tot erfrechtelijke kwesties. Zie Schulz 1951, p. 352, Kaser I (1971), p. 413, voetnoot 4, Feenstra 1994, p. 50 en Hoetink 1935, p. 474.
Zie Snijders & Rank-Berenschot 2017/362 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/285.
Zie bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/141. Naar hierna in par. 7.2.4 zal worden verdedigd, is de verandering van de positie van de eigenaar evenwel gelegen in de verandering van de goederenrechtelijke status van het goed. Van een beperking in de beschikkingsbevoegdheid is in het geheel geen sprake. Zie hierover De Jong, diss. 2006, p. 77.
Zie voor deze redenering PG Boek 5 BW, p. 3.
Zie Mugdan I, p. 505 en Mugdan III, p. 124 en 125. Deze opvatting wordt ook in de Duitse literatuur breed gedragen. Zie MünchKomm/Kohler § 879 Rn 17 en Wilhelm 2016, p. 300.
Suijling V, nr. 82.
PG Boek 5 BW, TM, p. 3.
Op grond van de Romeinsrechtelijke nemo-plusregel kan niemand meer rechten overdragen dan hij zelf heeft.1 De levering van een goed resulteert dientengevolge in beginsel slechts dan in een eigendomsoverdracht als de vervreemder hiervan eigenaar is.2 Uit de nemo-plusregel vloeit aldus de beschikkingsbevoegdheid voort als vereiste voor een rechtsgeldige eigendomsoverdracht zoals bedoeld in art. 3:84 BW.3 Vanwege de uitleg die in het kader van deze regel aan het begrip ‘overdragen’ wordt gegeven – te weten niet alleen het vervreemden, maar iedere handeling die is gericht ophet intreden van goederenrechtelijke gevolg – valt ook de bezwaring van het goed met beperkte rechten onder het toepassingsbereik van de nemo-plusregel. Zo wordt het feit dat de eigenaar van een met een beperkt recht bezwaard goed slechts beschikkingsbevoegd is voor zover hij beschikt over dat goed in bezwaarde toestand, als een toepassing van de nemo-plusregel beschouwd.4
Uit de ruime uitleg van het begrip ‘overdragen’ is de opvatting geboren dat de nemo-plusregel tevens grondslag biedt voor een rangorderegel voor een conflict tussen verschillende beperkte rechten. Na de totstandkoming van een beperkt recht is de eigenaar in die opvatting nog slechts bevoegd om over het met dat recht bezwaarde goed te beschikken. Als die beschikking bestaat in de vestiging van een tweede beperkt recht op dat goed, dan staat het later gevestigde recht achter bij het eerder gevestigde recht. De ouder gerechtigde kan namelijk aan de verkrijger van het jongere recht tegenwerpen dat degene die het tweede recht vestigde daartoe niet beschikkingsbevoegd was.5 Deze veronderstelling vormt voor de Duitse wetgever van het BGB de reden om de codificatie van de prioriteitsregel achterwege te laten:
‘An der hand der Rechtslogik ergiebt sich unter anderem daß […], weil Niemand mehr Recht übertragen kann, als er hat, das frühere an einer Sache bestellte Recht dem später bestellten Rechte vorgeht.’6
Voor het Nederlandse recht verklaart Suijling in dezelfde zin kort en bondig dat – ofschoon de prioriteitsregel nergens in het BW van 1838 in zijn volle algemeenheid is uitgesproken -
‘[h]ij [lees: de prioriteitsregel] volgt uit het beginsel, dat niemand meer recht kan verleenen dan hijzelf bezit.’7
Ook in het nieuwe BW is de prioriteitsregel niet met zoveel woorden opgenomen. De Toelichting Meijers bij de algemene opmerkingen van boek 5 vermeldt daarover het volgende:
‘De regel dat, indien twee zakelijke rechten met elkaar in botsing komen, het oudere recht voorrang heeft boven het jongere […] wordt wel gebaseerd op het beginsel, dat niemand meer rechten kan verlenen dan hij zelf heeft.’8