Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/7.4.0
7.4.0 Introductie
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS397896:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Verdoner, L.A. (1999), 'Belastingbeginselen en internationaal belastingrecht', MBB 1999/11, blz. 383-388.
Vgl: Litjens, F.P.J. (1985), 'Het stelsel van aftrek primair rendement in de vennootschapsbelasting', WFR 1985/5668, blz. 109-118.
Kamerstukken II, 1962-1963, 6 000, nr. 9, blz. 1.
Verburg, J. (2000), supra noot 7, blz. 1.
Kempen, M.L.M. van (1999b), 'Verslag van de vergadering van de Vereeniging 'Handelsrecht' van 6 november 1998 over vraagpunten en adviezen over titel 13 van Boek 7 inzake de personenvennootschappen', Deventer: Tjeenk Willink, blz. 24.
Kamerstukken II, 1962-1963, 6 000, nr. 9, blz. 2.
In de parlementaire behandeling is ook wel betoogd: 'Dat de beoordeling van de vraag of men met gelijke belastingplichtigen te doen heeft, niet alleen gericht kan worden op de juridische facetten. Veeleer zal men aandacht moeten schenken aan de wezenselementen van de ondernemingsvorm en deze moeten interpreteren op de grondslagen welke men voor de belastingheffing aanlegt'. Zie: Kamerstukken II, 1968-1969, 6 000, nr. 19, blz. 6.
Belastingbeginselen zijn beginselen die ten grondslag liggen aan het huidige belastingrecht en het bestaan daarvan rechtvaardigen. Het zijn naar hun aard rechtsbeginselen voorzien van een economische lading.1 Over welke grondslagen de vennootschapsbelasting legitimeren, bestaat nauwelijks eenstemmigheid. Sterker nog, de rechtsgronden zijn in de kamerstukken nauwelijks naar voren gebracht.2 De vennootschapsbelasting was er nu eenmaal.3 Daarbij kwam dat in het verleden was gebleken dat de vraag naar de rechtsgrond van de vennootschapsbelasting een bij uitstek controversiële was, zodat er aan de kant van de regering weinig animo bestond zich aan principiële beschouwingen te wagen.4 Het is hierdoor twijfelachtig of er überhaupt een eenduidige rechtsgrond bestaat voor het huidige onderscheid tussen transparante maatschappen, VOF's en CV's enerzijds en zelfstandig belastingplichtige kapitaalvennootschappen anderzijds.5 Wel heeft de wetgever te kennen gegeven dat uit de verschillende theorieën gedachten voortvloeien die samen een rechtvaardiging van de vennootschapsbelasting kunnen vormen. 'De opvatting dat uit de verschillende theorieën bouwstenen kunnen worden verkregen, die tezamen de heffing aanvaardbaar kunnen maken, kunnen de ondergetekenden dan ook onderschrijven '.6 De theorieën kunnen eveneens inzicht geven op basis van welke kenmerken door de fiscale wetgever een onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvormen voor de verschillende heffingen.7 In de paragrafen 7.4.1-7.4.3 bespreek ik een aantal van deze theorieën.