Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.4.2
1.8.4.2 Beslismodel
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 152.
EHRM 10 april 2012, appl.nos. 46099/06 & 46699/06 (dec.) (Ellis, Simms & Martin/ Verenigd Koninkrijk), § 76.
Zie bijvoorbeeld EHRM 3 april 2012, appl.no. 18475/05 (Chmura/Polen), § 53-58 en EHRM17 februari 2011, appl.no. 33780/04 (Kononenko/Rusland), § 65. In de jurisprudentie van het EHRM is vaak als eerste het belang van de getuigenverklaring vastgesteld, om pas daarna te onderzoeken of een adequate ondervragingsgelegenheid was geboden. Zie bijvoorbeeld EHRM 28 september 2010, appl.no. 40156/07 (A.S./Finland), § 61-62. Omdat het EHRM in EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 120 overwoog dat het ontbreken van een goede reden voor het zijn uitgebleven van een ondervragingsgelegenheid als eerste moet worden beoordeeld, ligt het echter meer voor de hand om als eerste te beoordelen of een voldoende ondervragingsgelegenheid is geboden. In onderdeel 5.8 van zijn conclusie bij HR 22 april 2014, NJ 2014, 257 deelde AG Bleichrodt deze opvatting. Het criterium van de adequate and proper opportunity is afkomstig uit EHRM 20 november 1989, appl.no. 11454/85 (Kostovski/Nederland), § 41. Trechsel 2006, p. 313 (noot 107) meent dat als eerste moet worden beoordeeld of de getuigenverklaring in kwestie voor het bewijs is gebruikt.
Trechsel 2006, p. 87 beklaagt zich over het feit dat het EHRM huiverig is om de exacte betekenis van de rechten van artikel 6 lid 3 EVRM duidelijk te maken. ‘Rather than interpreting the specific rights so as to give them a more precise definition, the Court seems to prefer to leave Article 6 in a cloud of ambiguity.’ In het arrest Al-Khawaja & Tahery lijkt het EHRM dat bezwaar ten aanzien van het ondervragingsrecht enigszins te hebben weggenomen door een duidelijk beoordelingsschema te presenteren.
Zie bijvoorbeeld EHRM 10 juli 2014, appl.no. 28825/02 (Buglov/Oekraïne), § 119.
In het arrest van de Grand Chamber is het anders geformuleerd: ‘whether it was necessary to admit the witness statements’ (EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk, § 152). Dat heeft wellicht te maken met de specifieke aspecten van de Britse strafvordering, die een afzonderlijke bewijstoelatingsprocedure kent. De vraag in de te beoordelen zaken was of de verklaringen terecht waren toegelaten tot het bewijs en dus terecht waren voorgelezen ter zitting. Uit § 119 blijkt een andere en algemener toepasbare formulering: ‘there must be a good reason for the non-attendance of a witness’. In § 2.6 van hoofdstuk 5 zal ik onderzoeken of ook een goede reden moet bestaan voor een beperking van de feitelijke ondervraging wanneer wél een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft bestaan.
In § 2.4.2 van hoofdstuk 5 zal ik betogen dat het gewicht van de getuigenverklaring, dat in het beslismodel pas bij de volgende vraag wordt genoemd, ook relevant is bij de beantwoording van de vraag of een goede reden bestond voor het beperken van het ondervragingsrecht.
Zuiverder: ‘vermoedelijk geen schending’. In EHRM 17 april 2014, appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland) onderzocht het EHRM uitgebreid of compensatie was geboden, hoewel de getuigenverklaring in kwestie niet van beslissende betekenis was. Het lijkt van opvatting te zijn geweest dat ook in geval van een niet-beslissende getuigenverklaring compensatie noodzakelijk is. In dat geval zou de sole or decisive rule echter kunnen worden gemist, aangezien compensatie zowel ten aanzien van beslissende als ten aanzien van niet-beslissende getuigen vereist zou zijn. Zie hierover uitgebreider § 2.2.1 van hoofdstuk 7.
Leeuw & Van Lent 2013, p. 253-254. In zijn concurring opinion bij EHRM 4 december 2014, appl.no. 16412/06 (Kazakov/Rusland) is rechter Sicilianos kritisch over het feit dat het EHRM het zelf vastgestelde beslismodel dikwijls niet volgt. Hij meent dat een verkeerd signaal wordt afgegeven aan de nationale rechters wanneer bij het ontbreken van een goede reden ook de overige vragen van het beslismodel worden beantwoord en wordt vastgesteld dat om verschillende redenen het ondervragingsrecht geschonden is.
EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgatullin/Rusland), § 54-56.
EHRM 24 januari 2012, appl.no. 24893/05 (Nechto/Rusland), § 119-128.
Zie ook EHRM 14 november 2013, appl.no. 47152/06 (Blokhin/Rusland), § 171-174.
EHRM 22 mei 2012, appl.nos. 50541/08 e.a. (dec.) (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk), § 94-100.
In het arrest Al-Khawaja & Tahery heeft de Grand Chamber aangegeven welke factoren relevant zijn bij de beoordeling van een klacht dat het ondervragingsrecht is geschonden en bovendien aangegeven in welke volgorde deze factoren moeten worden beoordeeld:
‘The Court will (...) consider three issues in each case: first, whether it was necessary to admit the witness statements of ST or T; second, whether their untested evidence was the sole or decisive basis for each applicant’s conviction; and third, whether there were sufficient counterbalancing factors including strong procedural safeguards to ensure that each trial, judged as a whole, was fair within the meaning of Article 6 §§ 1 and 3(d).’1
Deze volgorde is niet dwingend voorgeschreven. In de latere beslissing in de zaak Ellis, Simms & Martin is een meer imperatieve woordkeuze gehanteerd, die ook voor de beoordeling van toekomstige zaken bindend lijkt te zijn: ‘this Court must examine’.2 Aan de drie vragen behoort nog één vraag vooraf te gaan, die het ehrm in de hier genoemde beslissingen niet expliciet heeft genoemd, maar die wel uit andere ehrm-jurisprudentie kan worden afgeleid: heeft een behoorlijke en effectieve gelegenheid bestaan om de getuige te ondervragen?3 Is die gelegenheid inderdaad geboden, dan zal de beantwoording van de andere drie vragen immers niet meer relevant zijn, omdat het ondervragingsrecht niet geschonden zal zijn. Een algemeen toepasbaar beslismodel4 zou er dan als volgt uit zien:
Heeft de verdediging een adequate en behoorlijke gelegenheid gekregen om de getuige te ondervragen?
Ja:
geen schending5
Nee:
ga naar vraag 2
Bestond een goede reden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid?6
Ja:
ga naar vraag 3
Nee:
schending7
Is de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate gebaseerd op de verklaring van de niet behoorlijk en effectief door de verdediging ondervraagde getuige?
Ja:
ga naar vraag 4
Nee:
geen schending8
Is voldoende compensatie geboden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid?
Ja:
geen schending
Nee:
schending
Ondanks de voorgeschreven volgorde waarin de vragen zouden moeten worden beantwoord, hanteert het ehrm dikwijls een andere volgorde.9 In Sibgattulin onderzocht het ehrm bijvoorbeeld eerst het gewicht van de getuigenverklaring en pas daarna of een goede reden had bestaan voor de afwezigheid van de getuigen.10 In Nechto nam het ehrm een schending aan omdat geen enkele ondervragingsgelegenheid was geboden ten aanzien van beslissende getuigen. Van goede redenen voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid en van compenserende factoren rept het arrest niet.11 Het aanhouden van het hiervoor gepresenteerde beslismodel zou in deze zaken niet tot een andere beslissing hebben geleid. In Sibgattulin waren de getuigenverklaringen van beslissende betekenis, terwijl geen goede reden bestond om de getuigen niet te laten ondervragen. Bij het ontbreken van compenserende factoren, rechtvaardigden beide factoren zelfstandig de vaststelling van een schending. In Nechto was het ontbreken van voldoende compensatie ten aanzien van beslissende getuigen voldoende grond om een schending aan te nemen.12 De beslissing van het ehrm zou niet anders zijn uitgevallen wanneer het ook nog zou hebben onderzocht of een goede reden had bestaan voor de beperking van de verdedigingsrechten van de verdachte.
Dat een andere beslisvolgorde niet tot een andere uitkomst hoeft te leiden, neemt niet weg dat het beslismodel van Al-Khawaja & Tahery het meest logische model is. Eerst moet worden onderzocht of een voldoende ondervragingsgelegenheid heeft bestaan. Is dat niet het geval, dan is de logische vervolgvraag of daarvoor een goede reden bestond. Compensatie is alleen een cruciaal vereiste wanneer de getuigenverklaring van beslissende betekenis is. Bovendien is de omvang van de benodigde compensatie afhankelijk van het gewicht van de getuigenverklaring: hoe belangrijker, hoe meer compensatie. Daarom ligt het voor de hand om na de beoordeling van de goede reden voor een beperking eerst het belang van de getuigenverklaring vast te stellen en pas daarna compensatie te onderzoeken.
Hoewel toepassing van het beslismodel sinds Al-Khawaja & Tahery gebruikelijk is bij de beoordeling van ondervragingsklachten door het ehrm, hanteert het ehrm dat model niet altijd expliciet. In de zaak Ibrahim ontbrak het beslismodel niet alleen in de zeer summiere algemene overwegingen, maar werden de beoordelingsfactoren evenmin expliciet genoemd in de motivering waarom het ondervragingsrecht niet was geschonden. De aspecten die in de motivering werden genoemd, kunnen met enige moeite overigens wel worden herleid tot de factoren die in het beslismodel zijn opgenomen.13