Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.2.2
2.2.2 Correspondentie als ideaal
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Derksen 2010, p. 163 en De Vries 2002, p. 17. Er zijn ook filosofen, zoals Heidegger, die het waarheidsbegrip ontologisch opvatten als kenmerk van het zijn (Vasterling 1993, p. 27 e.v.).
In dit verband wordt ook wel de term propositie gebruikt. De begrippen bewering, uitspraak of propositie worden in dit boek als synoniemen gehanteerd.
De Vries 2002, p. 17. Zie ook Derksen 2010, p. 164, die stelt ‘een bewering is waar wanneer ze de werkelijke toedracht beschrijft, de toedracht zoals die in werkelijkheid heeft plaatsgevonden’.
De Vries 2002, p. 23.
Zie op dit punt meer uitvoerig Glastra-Van Loon 1980, p. 124.
De Vries 2002, p. 23.
Nijboer 2009, p. 56.
Nijboer 2011, § 10.3.2. Zie voor een uitvoerige uiteenzetting van de waarheidstheorieën in het strafproces Nijboer 1982, p. 18 e.v. en Derksen 2010, p. 161 e.v.
Zie ook Derksen 2010, p. 175. Zie anders Nijboer 2009, p. 60.
De waarheid vormt de toetssteen voor de juistheid en legitimiteit van dat resultaat. Met louter procedurele juistheid neemt men binnen het strafproces geen genoegen.
Alleen binnen een experimentele setting is de zogenaamde ground truth bekend. Zie § 6.2.
Als gezegd stelt het strafproces zich tot doel de waarheid te achterhalen. Waar hebben we het dan over en is dit een haalbaar streven? In de epistemologie is het gebruikelijk om waarheid te zien als een kwalificatie die kan worden toegekend aan beweringen of uitspraken over de werkelijkheid.1 Een uitspraak of bewering over de werkelijkheid kan waar of niet waar zijn.2 De eigenschap ‘waar’ wordt aan beweringen toegedicht, indien het beweerde een accurate weergave van de werkelijkheid behelst.3 De bewering ‘Zuid-China is getroffen door een aardbeving’ is slechts waar, indien zij correspondeert met de feiten en (uitsluitend indien) Zuid-China ook daadwerkelijk door een aardbeving is getroffen. Uitgaande van de correspondentietheorie ziet waarheid aldus op de relatie tussen uitspraak en ‘onafhankelijk daarvan bestaande feiten’.4 In die theorie zijn waar die beweringen die corresponderen met ‘de’ werkelijkheid. Op de correspondentietheorie valt het nodige aan te merken; het bestaan van een ondubbelzinnig kenbare werkelijkheid wordt in de epistemologie ter discussie gesteld. Zo er al een van de waarnemer onafhankelijke realiteit bestaat, kan – als gevolg van het inductieprobleem gelegen in het doen van generaliserende uitspraken op basis van individuele waarnemingen – nooit zekerheid worden verkregen of de realiteit adequaat is beschreven (of een concrete bewering ook daadwerkelijk een correcte afspiegeling van de werkelijkheid vormt). Daarbij wordt onze perceptie van de werkelijkheid gekleurd door onze eigen ervaringen, denkbeelden en opvattingen en de context waarbinnen wordt waargenomen.5
Het predicaat ‘waar’ wordt ook gebruikt voor die beweringen waarvan men meent dat het bewijs voor het beweerde is geleverd. De term ‘waar’ is volgens De Vries in die betekenis een meer pragmatisch, evaluerend begrip.6 De bewering ‘Zuid-China is getroffen door een aardbeving’ is waar, indien het bewijs daarvoor bijvoorbeeld in de vorm van ooggetuigenverslagen of videobeelden is geleverd. Niet de correspondentie met de werkelijkheid staat in deze betekenis centraal, maar het geleverde bewijs. Deze opvatting van het waarheidsbegrip past beter bij de andere waarheidstheorieën die in de loop van de tijd zijn ontwikkeld. Kenmerkend voor deze theorieën is hun pragmatische inslag. Centraal staat niet zozeer wat is waar, maar wat accepteren wij als zijnde waar.7 Als waar worden bijvoorbeeld aangenomen uitspraken die passen bij reeds als waar beschouwde uitspraken (coherentietheorie) of uitspraken die binnen een specifieke groep als waar gelden (consensustheorie).8
Ondanks de kentheoretische haken en ogen aan de correspondentietheorie en de ontwikkeling van andere waarheidstheorieën, geldt het correspondentiemodel op veel wetenschapsgebieden nog wel als ideaal. Ook in de strafrechtelijke procedure streeft men naar correspondentie met de werkelijkheid, in het besef dat dit – tot op zekere hoogte – een onhaalbaar streven is. De realiteit is dat de uitkomst van het rechterlijk beslisproces in belangrijke mate een (re)constructie behelst. Deze constatering is evenwel geen aanleiding om van een ander waarheidsbegrip uit te gaan.9 Het streven moet immers worden onderscheiden van het resultaat.10
In dit onderzoek wordt de aanduiding ‘waar’ in relatie tot getuigenverklaringen gereserveerd voor uitspraken van getuigen die de werkelijkheid op accurate wijze beschrijven of – anders gezegd - beweringen die overeenstemmen met de werkelijkheid. Op basis van het hiervoor genoemde zal duidelijk zijn dat voor het ‘vaststellen’ van het waarheidsgehalte men genoodzaakt is om een pragmatische invalshoek te kiezen. Omdat het waarheidsgehalte van een uitspraak zich (buiten een experimentele setting) niet met zekerheid laat vaststellen,11 moet worden gekeken onder welke omstandigheden aan een getuigenverklaring gerechtvaardigd geloof mag worden gehecht. Het gebruik van het begrip waar of waarheid als kwalificatie voor rechterlijke oordelen, wordt vermeden omdat dit onvermijdelijk leidt tot begripsverwarring zoals hierna nog duidelijk zal worden.