Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.9.2.2
5.9.2.2 Werkwijze Cbe
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949590:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1988/89, 21 073, nr. 3, p. 140. Zie over de onafhankelijkheid van het Cbe uitgebreider Van den Hove en Philipsen 2022, p. 169.
Artikel 7.60, tweede lid, van de Whw.
Artikel 7.5.3, tweede tot en met vierde lid, van de Web.
Artikel 7.5.2, derde lid, van de Whw en artikel 7.60, vierde lid, van de Whw.
Artikel 7.60, vierde lid, van de Whw.
Pm Web en artikel 7.12c, eerste lid, van de Whw.
Artikel 7.5.1, vierde lid, van de Web en artikel 7.59a, vierde lid, van de Whw.
Artikel 7.5.1 van de Web en artikel 7.59a van de Whw. Zie over de toegankelijke faciliteit ook Orthel 2009.
Artikel 7.12c, eerste lid, van de Whw en zie uitgebreider § 4.8.3.
Louw 2011, p. 425-426. Zie ook Buiting 2018, p. 21.
Van Hees-Zandbergen 2015, p. 120-121.
Zie ook Buiting 2018, p. 22.
CBHO 4 januari 2017, 2016/087. Zie over de schikkingspoging uitgebreider Dourlein en de Wit 2021.
Artikel 7.5.4, tweede lid, van de Web en artikel 7.61, vierde lid, van de Web
De wetgever heeft beoogd het Cbe te positioneren als onafhankelijke geschilbeslechter.1 Het Cbe in het hoger onderwijs bestaat uit drie tot vijf leden en een aantal plaatsvervangende leden.2 Het Cbe kan uit meer leden bestaan als er verschillende kamers zijn ingesteld. In het middelbaar beroepsonderwijs is niet bepaald uit hoeveel leden het Cbe bestaat.3 Zowel in het hoger als middelbaar beroepsonderwijs worden de leden voor drie tot vijf jaar benoemd.4 In het hoger onderwijs moet de voorzitter van het Cbe voldoen aan de eisen voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar.5 De voorzitter moet in het hoger onderwijs dan ook een jurist zijn, dit is voor de voorzitter van het Cbe in het middelbaar beroepsonderwijs niet bepaald.
Zoals hiervoor al uiteengezet is het Cbe in zowel het hoger als middelbaar beroepsonderwijs bevoegd ten aanzien van beslissingen van de examencommissie en de examinatoren. Dit betekent dat de student bij het Cbe kan opkomen tegen beslissingen die zien op de vaststelling van de uitslag van een tentamen of examen. In het hoger onderwijs wordt de uitslag van een tentamen immers vastgesteld door de examinator en in het middelbaar beroepsonderwijs door de examencommissie.6 Hoewel bij het Cbe in het middelbaar beroepsonderwijs beroep openstaat tegen beslissingen van examinatoren, kent het middelbaar beroepsonderwijs geen examinatoren meer (zie hierover uitgebreider § 6.4.5). De taak om de uitslag van een examen vast te stellen kan de examencommissie in het middelbaar beroepsonderwijs mandateren aan de leraar, die dan optreedt als examinator. De uitslag van dat examen wordt dan door de leraar/examinator vastgesteld in naam van de examencommissie. De leraar die optreedt als examinator neemt in dat geval geen eigen beslissing, waartegen beroep open zou moeten staan. De examencommissie stelt immers formeel de uitslag van het examen vast. Dat bij het Cbe in het middelbaar beroepsonderwijs beroep openstaat tegen beslissingen van een examinator kan dan ook niet voorkomen in de praktijk.
De Awb is voor wat betreft de openbare universiteiten van toepassing op het Cbe. Op een aantal punten wijkt de wettelijke regeling van het Cbe evenwel af van de Awb. Dit geldt bijvoorbeeld voor een aantal van de termijnen en de verplichte schikkingspoging. De student dient binnen zes weken beroep in te stellen bij het Cbe.7 Beroep wordt ingesteld bij een zogenaamde toegankelijke faciliteit.8 Bij deze faciliteit dient de student klachten, bezwaarschriften en beroepschriften in te dienen. Die worden vervolgens doorgestuurd naar het juiste orgaan.
Alvorens het Cbe in het hoger onderwijs het beroep in behandeling neemt moet een schikkingspoging ondernomen worden.9 In het middelbaar beroepsonderwijs bestaat geen plicht voor het Cbe om de betrokken partijen in de gelegenheid te stellen middels overleg een schikking te bereiken. Hoewel de wetgever het doel heeft gehad de rechtsbescherming in het middelbaar beroepsonderwijs te harmoniseren met die in het hoger onderwijs, is de verplichte schikkingspoging niet overgenomen.10 Er is niet toegelicht waarom hiervoor is gekozen. Het was beter geweest om ook ten aanzien van het middelbaar beroepsonderwijs de verplichte schikkingspoging op te nemen. Dit dwingt de student en instelling immers om tafel, wat eraan bijdraagt dat geschillen mogelijk vroegtijdig opgelost worden.
In het hoger onderwijs zendt het Cbe het beroepschrift, ten behoeve van de schikkingspoging, normaliter aan het orgaan dat de primaire beslissing heeft genomen. Bij een beslissing inzake de vaststelling van de uitslag van een tentamen is dit de examinator. Het Cbe in het hoger onderwijs zendt ten behoeve van de schikking het beroepschrift evenwel niet naar de examinator, maar naar de examencommissie.11 Ook vloeit uit de wet voort dat als de betreffende examinator onderdeel uitmaakt van de examencommissie, hij niet bij de schikkingspoging betrokken mag zijn. Dit is een misslag van de wetgever. De examencommissie kan de beslissing van de examinator immers niet herzien. De bevoegdheid om de uitslag van het tentamen vast te stellen is exclusief geattribueerd aan de examinator.12 Louw schrijft dan ook dat het niet bevorderlijk is om de examinator niet te betrekken bij het schikkingsgesprek.13 Van Hees-Zandbergen stelt dat het juist goed is dat de examencommissie het schikkingsgesprek met de student voert.14 De examinator zou er simpelweg voor kunnen kiezen om niet op te komen dagen om de schikking te frustreren. Dit is geen overtuigend argument. Ook de examencommissie kan besluiten niet deel te nemen aan de schikking.15 In dergelijke gevallen neemt het CBHO echter een ernstig gebrek in de betreffende beslissing aan en verklaart hij het beroep gegrond, de examencommissie is gehouden het gesprek aan te gaan.16
De examinator zou mijns inziens, eventueel met de hulp van de examencommissie, het schikkingsgesprek met de student moeten voeren. Enkel de examinator kan immers bepalen of de uitslag van het tentamen gewijzigd moet worden. Aan hem komt immers de uit de academische vrijheid voortvloeiende bevoegdheid toe om zelfstandig te bepalen hoe de uitslag van het tentamen komt te luiden. Deze bevoegdheid heeft hij omdat hij als deskundige kan bepalen hoe het tentamen beoordeeld moet worden. Het voorgaande vergt echter een wetswijziging, nu in artikel 7.61, derde lid, van de Whw abusievelijk is bepaald dat de examencommissie het schikkingsgesprek moet voeren, zonder de examinator.
Als de schikkingspoging geen succes heeft, dan beslist het Cbe in administratief beroep over het geschil. In het middelbaar beroepsonderwijs beslist het Cbe binnen vier weken te rekenen van het moment van verstrijken van de beroepstermijn en in het hoger onderwijs beslist het Cbe binnen tien weken te rekenen vanaf hetzelfde moment.17 Indien het Cbe het beroep gegrond acht kan ze de beslissing geheel of gedeeltelijk vernietigen. Het Cbe kan bepalen dat het tentamen, examen of een onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het Cbe te stellen voorwaarden. De examencommissie of examinator van wie de beslissing (gedeeltelijk) is vernietigd neemt een nieuwe beslissing, met inachtneming van de uitspraak. Het Cbe is niet bevoegd zelf in de zaak te voorzien en haar eigen beslissing in de plaats te stellen van het primaire besluit. De examencommissie en de examinator moeten bij een gegrond beroep dan ook steeds zelf een nieuwe beslissing nemen.