Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.9.2.1
5.9.2.1 Totstandkoming van het Cbe
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949480:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1981, 137.
Artikel 40 van de Wet universitaire bestuurshervorming (zie Stb. 1981, 137).
Artikel 40, eerste lid, van de Wet universitaire bestuurshervorming (zie Stb. 1981, 137).
Artikel 122 van de Wet op het wetenschappelijk onderzoek 1986 (Stb. 1986, 414) en artikel 7.60 tot en met 7.63 van de Whw (Stb. 1992, 593).
Zie artikel 48 tot en met 51 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1986, 289).
Artikel 50, eerste lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1986, 289).
Artikel 5 Eindexamenbesluit VO en Kamerstukken II 1993/94, 23 778, nr. 3, p. 141.
Artikel 7.5.4, eerste lid, van de Web.
Artikel 8.1.7a, vijfde lid, van de Web.
Het Cbe is in 1981 ingevoerd in het hoger onderwijs met de Wet tweefasenstructuur.1 Sindsdien moet elke universiteit een Cbe hebben. Het Cbe kreeg destijds de bevoegdheid beslissingen van examinatoren te vernietigen of te bepalen dat de examinator een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van de uitspraak van het Cbe.2 In de memorie van toelichting geeft de wetgever aan dat het Cbe van alle betrokkenen groot vertrouwen moet genieten.3 Daarom wordt het Cbe samengesteld uit een brede kring van personen. Met een dergelijke samenstelling moet subjectieve oordeelsvorming voorkomen worden.4 De meerderheid van het Cbe moet bestaan uit leden van het wetenschappelijk personeel in vaste dienst. De wetgever wil hiermee voorkomen dat beslissingen van examinatoren en examencommissies vernietigd kunnen worden door een college dat in minderheid bestaat uit wetenschappelijk personeel.5 Hiermee wordt geborgd dat in het Cbe brede ervaring bestaat met het afnemen van tentamens en examens. Het Cbe kan hierdoor genuanceerd kijken naar geschillen hierover. Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid en kwaliteit van haar beslissingen.
In de Wet op het wetenschappelijk onderwijs uit 1986 en de Whw, die in 1994 in werking trad, is het Cbe door de wetgever op grofweg dezelfde wijze geregeld als eerder met de Wet tweefasenstructuur.6 Met de komst van de Whw wordt het instellen van een Cbe ook verplicht voor hogescholen. Vóór de inwerkingtreding van de Whw dienden hogescholen een commissie van beroep te hebben.7 Die commissie kon onder meer oordelen over beslissingen en handelingen inzake examens. Het beroep van de student kon gegrond worden verklaard indien de beslissing in strijd was met een algemeen verbindend voorschrift of de redelijkheid en billijkheid.8 Deze commissie is met de komst van de Whw vervangen door het Cbe.
Met de totstandkoming van de Web dient ook elke instelling in het middelbaar beroepsonderwijs een commissie van beroep voor de examens te hebben. Deze commissie toont grote overeenkomsten met het Cbe in het hoger onderwijs. Deze commissie is hier echter niet op gebaseerd, maar komt voort uit de commissie van beroep in het voortgezet onderwijs.9 Die commissie behandelde geschillen inzake fraude met examens, hier wordt dieper op ingegaan in § 5.10.2. Het Cbe in het mbo is niet enkel gericht op fraude, maar kan zaken in behandeling nemen die zien op beslissingen van de examencommissie of examinatoren.10 Hieronder vallen beslissingen inzake fraude, maar ook beslissingen over de vaststelling van de uitslag van de examens of over het verlenen van vrijstellingen. Ook is het Cbe bevoegd inzake het bindend studieadvies.11 Met het instellen van een Cbe voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de wetgever beoogd studenten een mogelijkheid te bieden om: “[…] op zeer korte termijn en ‘dicht bij huis’ een voorziening tegen beslissingen van de examencommissie en examinatoren te vragen.”12