Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.3
2.7.3 Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859154:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook Hof Den Bosch 27 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:225 waarin het hof niet corrigeert op grond van de redelijkheid en billijkheid bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap in een geval waarin M is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens poging tot doodslag van V.
Rb. Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498. Zie hierover par. 2.7.7 en 2.2.3.6.1.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1172 en 1174-1175. Zie ook par. 2.2.3 en de daar genoemde literatuurverwijzingen. Vgl. ook 2.2.3.6.
Zie daarover ook par. 2.2.3.6.1.
Zie daarover ook par. 2.7.4 (slot) en 2.7.7.
Dat betekent dat mijn conclusie iets afwijkt van hetgeen is opgenomen in: De Vries, TE 2021/06, p. 113-118.
Zie daarover nader par. 2.2.3.6.
M en V zijn in 2002 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In november 2004 is hun dochter geboren. In 2006 heeft V hun dochter in Duitsland omgebracht. Volgens V is het een wanhoopsdaad geweest. De Duitse strafrechter oordeelt dat de gedraging voldoet aan de delictsomschrijving van doodslag. V heeft echter zonder schuld gehandeld. V wordt daarom niet veroordeeld. Wel wordt haar de maatregel opgelegd van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Vertaald naar Nederlands recht is dan de conclusie dat V is ontslagen van alle rechtsvervolging.1 In 2008 zijn M en V gescheiden. Op grond van artikel 4:10 lid 1 sub b BW zijn in beginsel M en V voor gelijke delen tot de nalatenschap van hun dochter gerechtigd. De nalatenschap van hun dochter is in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen gevallen.
M stelt dat V naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden aangemerkt als erfgenaam van hun dochter, respectievelijk dat V naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gegrond beroep toekomt op toedeling van haar erfdeel. V betwist deze stellingen.
Van onwaardigheid is volgens de rechtbank geen sprake, omdat de opgelegde maatregel geen onherroepelijke veroordeling is in de zin van artikel 4:3 lid 1 sub b BW.2 Vervolgens beziet de rechtbank of een rol is weggelegd voor de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap en oordeelt als volgt:
‘(…) dat de wettelijke verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in boek 1 van het BW geen analoge regeling van artikel 4:3 lid 1 sub b BW kent. Door de Hoge Raad is echter bij uitspraak van 7 december 1990 (NJ 1991, 593) geoordeeld dat indien de onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 lid 1 BW tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldende regel van verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn daarvan in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken.
De toedracht bij het overlijden van [kind] kan dan ook, voor zover deze de goederen van [kind] betreffen, een rol spelen bij de beoordeling van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van [eiseres] en [gedaagde].
De rechtbank is van oordeel dat de zeer bijzondere omstandigheden in deze zaak, namelijk dat [kind] door haar moeder is gedood, waardoor [gedaagde] zijn dochtertje heeft verloren en [eiseres] [gedaagde] definitief van het gezinsleven met [kind] heeft beroofd, waardoor de voormalige relatie van partijen een wel zeer zware last draagt, maken dat hoewel [eiseres] niet onwaardig is om te erven van [kind], de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat [eiseres] ten aanzien van [gedaagde] aanspraak maakt op haar erfdeel in het kader van de scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Van onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 lid 1 BW jo. artikel 3:166 lid 3 BW jo. artikel 6:2 BW geldende regel van verdeling bij helfte dient naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te worden afgeweken.
5.13.11. Gelet op al het vorenoverwogene komt [eiseres] in redelijkheid geen aanspraak toe op toedeling van de goederen van [kind] die [gedaagde] laatstelijk (op de peildatum) in zijn bezit had. De gevorderde toedeling van goederen van [kind] wordt derhalve afgewezen.’
De rechtbank komt terecht tot de conclusie dat op grond van de tekst van de wet van onwaardigheid geen sprake is. Er wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 4:3 lid 1 sub b BW. V kan desondanks geen aanspraak maken op goederen uit de nalatenschap van haar dochter bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank zegt niet dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat V als erfgenaam opkomt in de nalatenschap van hun dochter, maar spitst het oordeel toe op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van het geval dient van artikel 1:100 lid 1 BW te worden afgeweken. Via deze weg wordt daarmee per saldo alsnog bereikt dat V niets verkrijgt uit de nalatenschap van hun dochter. V heeft juridisch gezien geen schuld aan het overlijden van hun dochter. Vervolgens worden in het huwelijksvermogensrecht wel consequenties verbonden aan haar handelen. De daad wordt V strafrechtelijk niet toegerekend, maar dat maakt volgens de rechtbank dus niet dat de gedraging bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap zonder gevolg moet blijven.3
In dit geval oordeelt de rechter over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Dat is een andere rechtssfeer dan onwaardigheid. Onwaardigheid is een harde regel. Het is heel zwart wit. Bij toepassing van artikel 1:100 BW kan de weging anders uitvallen. Dat in een geval als deze in het erfrecht geen sprake is van onwaardigheid, betekent niet dat in het kader van het huwelijksvermogensrecht eenzelfde conclusie moet volgen in die zin dat V recht heeft op goederen van haar dochter.
Voorafgaand aan de hierna nog te bespreken uitspraak van de Rechtbank Gelderland uit 20224 was mijn conclusie dat terughoudendheid geboden is bij toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in een geval als deze, dat wil zeggen als sprake is van ontslag van alle rechtsvervolging. Indien de wetgever in een dergelijke situatie van mening was geweest dat V geen voordeel behoort te krijgen uit de nalatenschap, dan had artikel 4:3 lid 1 sub a BW niet de eis van een veroordeling moeten bevatten. De wetgever heeft deze eis nadrukkelijk gehandhaafd bij de invoering van het nieuwe erfrecht in 2003.5 Van een veroordeling is in dit geval geen sprake. Wordt V dan voordeel onthouden op grond van de redelijkheid en billijkheid dan strookt dat niet met de overwegingen van de wetgever bij artikel 4:3 lid 1 BW.
Na de uitspraak van de Rechtbank Gelderland is een maatschappelijk debat losgekomen en zijn er Kamervragen gesteld.6 Deze ontwikkelingen en de veranderende (rechts)opvattingen over ontslag van alle rechtsvervolging in relatie tot het verkrijgen van voordeel uit een nalatenschap, kunnen betrokken worden bij de toetsing aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid.7 Hierdoor is er naar mijn mening iets meer ruimte ontstaan om in een dergelijk geval te corrigeren op die grond.8 Dat neemt niet weg dat het aanbeveling verdient artikel 4:3 BW aan te passen voor dergelijke gevallen.9