Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.6:2.7.6 Rb. Middelburg 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBMID:2011:BU6593
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.6
2.7.6 Rb. Middelburg 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBMID:2011:BU6593
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859259:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Luijten & Meijer was het niet zeker dat de man zijn vrouw had omgebracht, TE 2012/02, p. 40. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat het voor de rechtbank voldoende vast staat dat dit het geval is. Voor de rechtbank staat zelfs voldoende vast dat de man zijn vrouw opzettelijk van het leven heeft beroofd. De erven van de man komen in hun conclusie van dupliek ook niet terug op hun aanvankelijke betwisting van dit feit.
Zie hierover uitgebreider par. 2.2.3.5.
R.o. 129. Zie ook par. 2.2.3.5.
Breemhaar, in: Rechtspraak erfrecht 2019, p. 113. Zie ook par. 2.2.3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
M is gehuwd met V. V is om het leven gebracht. M wordt ervan verdacht dat hij V heeft vermoord. In afwachting van zijn strafproces heeft M zichzelf van het leven beroofd. Een veroordeling kon daarom niet volgen. V en M hadden beiden geen testament opgesteld. De kinderen van M (uit een eerder huwelijk) gelden als zijn erfgenamen. Gelet op de stellingen van partijen, betreft volgens de rechtbank de vraag die voorligt of de derogerende werking van de redelijkheid en het algemene rechtsbeginsel dat men geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander ertoe dienen te leiden dat M geen aanspraak toekomt op de nalatenschap van V en dat haar nalatenschap geen deel uitmaakt van de nalatenschap van M.
De rechtbank begint de beoordeling met de bekende formulering dat onder omstandigheden de vererving door een erfgenaam zo stuitend kan zijn dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel om hem als erfgenaam toe te laten. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich voordoet. Aan de hand van de inhoud van de processen-verbaal staat voldoende vast dat M, V opzettelijk van het leven heeft beroofd. De erven van M komen later in de procedure ook niet terug op hun aanvankelijke betwisting van dit feit. Hierdoor heeft M jegens V op dusdanige wijze gehandeld dat het voor het rechtsgevoel onaanvaardbaar is om hem als erfgenaam toe te laten. De rechtbank vervolgt dat ook in het licht van voornoemd rechtsbeginsel het uitoefenen van zijn rechten als erfgenaam bij versterf door M onder de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een onaanvaardbaar resultaat opleveren. De omstandigheid dat M inmiddels zelf niet meer leeft, doet niets af aan de conclusie dat een voor het rechtsgevoel onaanvaardbare situatie het gevolg is van de toepassing van het erfrecht in dit geval, aldus de rechtbank.
Corrigeren op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid in deze zaak leidt tot een niet meer dan gerechtvaardigd resultaat. Er staat immers voldoende vast dat V opzettelijk van het leven is beroofd door M.1 De conclusie dat M niet kan opkomen in haar nalatenschap strookt daarmee volkomen met de ratio van de onwaardigheidsbepaling.
Opvallend is dat de uitspraak van de Roemeense erflater2 niet terugkomt in deze zaak. Eisers noch de rechtbank besteden hier aandacht aan, terwijl de kwestie opvallende gelijkenissen vertoont. In de zaak die voorlag bij het EHRM is tevens sprake van een man die (onder andere) zijn vrouw had omgebracht en daarna zelfmoord pleegt. Het EHRM oordeelt dat het verdragsstaten niet verplicht om bepalingen in hun wet op te nemen met betrekking tot onwaardigheid. Indien de nationale wetgeving echter in dergelijke bepalingen voorziet, dienen deze bepalingen te worden toegepast op een wijze die verenigbaar is met hun bedoeling.3 Nu voldoende vaststaat dat V door M is vermoord, had de rechtbank met een beroep op deze uitspraak en een verdragsconforme uitleg van artikel 4:3 lid 1 sub a BW4 tot onwaardigheid moeten komen. Dat door de broer en zus van V geen beroep lijkt te zijn gedaan op onwaardigheid doet daarbij niet ter zake. Artikel 4:3 BW is van openbare orde, zodat de rechter deze bepaling ambtshalve moet toepassen.5 M is van rechtswege onwaardig om van V te erven. De route van de rechtbank leidt mijns inziens echter niet tot strijdigheid met artikel 8 EVRM. De slotsom is in dit geval immers gelijk inhoudende dat M geen voordeel geniet uit de nalatenschap van V. Wel kan ik me voorstellen dat de kwalificatie onwaardigheid voor de erven van V gevoelsmatig verschil had gemaakt vanwege de connotatie van dit begrip.