Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.6.2.2
5.6.2.2 Kozuba-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291303:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, BNB 2018/26, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 31 en 32 (Kozuba).
Conclusie A-G Campos Sánchez-Bordona 4 juli 2017, zaak C-308/16, BNB 2018/26, punt 74 (Kozuba).
R.o. 51.
R.o. 52.
R.o. 52.
R.o. 53.
R.o. 54.
Conclusie A-G Campos Sánchez-Bordona 4 juli 2017, zaak C-308/16, BNB 2018/26, punt 70 (Kozuba).
R.o. 57.
R.o. 58.
In het Kozuba-arrest heeft het Hof van Justitie duidelijk gemaakt dat het doel van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn is gelegen in het belasten van de waarde die aan het gebouw is toegevoegd door middel van bouwwerkzaamheden.1 Omdat art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn bepaalt dat lidstaten het criterium van een nieuw gebouw mogen toepassen op een verbouwing en deze bepaling geen definitie geeft van het begrip ‘verbouwing’, was A-G Campos Sánchez-Bordona van mening dat het aan de lidstaten is om te preciseren wanneer en onder welke voorwaarden sprake is van een nieuw gebouw. Naar zijn mening ligt in deze bepaling slechts één beperking besloten, namelijk dat onder het begrip ‘verbouwing’ geen handelingen mogen worden gebracht die te ver van de constructie van een gebouw af staan.2 Het Hof van Justitie trekt de teugels wat strakker aan. Net als de A-G wijst het Hof erop dat in de Btw-richtlijn geen definitie te vinden is van het begrip ‘verbouwing’.3 Ook uit de verschillende taalversies – het Hof wijst op het Engelse ‘conversion, het Duitse ‘Umbauten’, het Roemeense ‘tranformări en het Poolse ‘przebudowa’ – blijkt dat dit begrip niet eenduidig is.4 Niettemin suggereert dit begrip volgens het Hof op zijn minst dat het betrokken gebouw veranderingen van betekenis moet hebben ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen.5
Steun voor deze uitleg van het begrip ‘verbouwing’ vindt het Hof in zijn Komen-arrest op grond waarvan de levering van een gedeeltelijk gesloopt gebouw waarvan de transformatie tot een nieuw gebouw gaande was, kwalificeert als de levering van een oud gebouw wanneer het oude gebouw ten tijde van de levering slechts gedeeltelijk is gesloopt en, althans deels, nog in gebruik is.6 Hieruit leidt het Hof af (‘dus’) dat het begrip ‘verbouwing met name het geval omvat waarin voltooide of voldoende gevorderde werkzaamheden hebben plaatsgevonden waarna het betrokken gebouw voor andere doeleinden zal worden gebruikt.7 Deze overweging lijkt te zijn ontleend aan de conclusie van A-G Campos Sánchez-Bordona waarin hij opmerkt dat, ondanks de verschillende omstandigheden, het Komen-arrest enige duidelijkheid kan scheppen over het begrip ‘verbouwing’, omdat het begrip in dit arrest in verband is gebracht met min of meer voltooide of vergevorderde renovatiewerkzaamheden aan oude gebouwen.8 Uit de woorden ‘met name’ blijkt overigens dat het begrip ‘verbouwing’ niet uitsluitend betrekking heeft op het geval waarin voltooide of voldoende gevorderde werkzaamheden hebben plaatsgevonden waarna het betrokken gebouw voor andere doeleinden zal worden gebruikt. Dit blijkt ook uit r.o. 55 waarin het Hof van Justitie overweegt dat de uitleg van het begrip ‘verbouwing’ in r.o. 52 aansluit bij het doel van de Btw-richtlijn om de toegevoegde waarde te belasten. Voor een oud gebouw ontstaat die (te belasten) toegevoegde waarde wanneer het dermate ingrijpend wordt verbouwd dat het op één lijn kan worden gesteld met een nieuw gebouw.
De zaak Kozuba betrof de Poolse wetgeving op grond waarvan sprake was van vernieuwbouw als de uitgaven voor de verbetering van een gebouw in de zin van de bepalingen over de Poolse inkomstenbelasting ten minste 30% van de beginwaarde bedragen. In deze zaak stond vast dat aan dit kwantitatieve criterium was voldaan, omdat de uitgaven voor de verbetering van de woning 55% van de beginwaarde bedroegen. Het Hof van Justitie is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de Poolse wetgeving een ander begrip gebruikt dan de Btw-richtlijn, het begrip ‘verbetering’, op zichzelf beschouwd geen strijd met de Btw-richtlijn oplevert. Indien het begrip ‘verbetering’ zo wordt uitgelegd dat het overeenkomt met de uitleg van het begrip ‘verbouwing’ door het Hof van Justitie, is van een resultaat dat in strijd is met de Btw-richtlijn geen sprake.9 Hoewel het feit dat de uitgaven voor de verbetering van de woning 55% van de beginwaarde bedroegen suggereert dat de aan het gebouw aangebrachte wijzigingen er wegens hun omvang aan hebben kunnen bijdragen dat de omstandigheden waaronder het wordt betrokken aanzienlijk zijn veranderd, is het aan de nationale rechter om te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde ‘verbetering’ heeft geleid tot een verandering van betekenis die is bedoeld om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen.10