Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.4
4.3.4 Leenrechten en heerlijke rechten
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264522:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Visagie 1974, p. 157-165; Zwalve 2006, p. 52.
De Blécourt 1918, p. 82; Van Peteghem 2001, p. 238-239.
De Blécourt 1918, p. 82. Zie voor een weergave van het leenrecht in het ius commune en de verpanding van leenrechten: §3.3.2.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.191-192 (Van Strijen & W. de Groot); De Blécourt 1918, p. 82-84.
De Blécourt 1939, p. 365-366.
Veldenaer/Van Boxhorn 1650, p. 219-220.
In de literatuur werden leengoederen aan de hand van het jaarlijkse inkomen zelfs onderverdeeld in verschillende klassen. Dit laat zien dat het jaarlijkse inkomen van een leengoed tamelijk nauwkeurig kon worden vastgesteld. De Groot, Inleydinge, nr. 2.41.50; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.41.50; Visagie 1974, p. 69. Vgl. De Blécourt 1939, p. 300.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.191.
De Blécourt 1918, p. 77-79.
Veldenaer/Van Boxhorn 1650, p. 222.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.192; Van Bijnkershoek, OT, nr. 1545.
Van Bijnkershoek, OT, nr. 1545.
Intermezzo: achtergrond leenrecht in de Republiek
De Tachtigjarige Oorlog bracht maar beperkt verandering in de leenrechtelijke verhoudingen binnen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Aldus speelde het leenrecht een rol binnen de samenleving van de Republiek, en in het Rooms-Hollandse recht.1 Voor de Tachtigjarige Oorlog was de Graaf van Holland en Zeeland leenman van de Spaanse koning. De graaf was op zijn beurt weer leenheer van zijn eigen vazallen binnen het graafschap. Met de onafhankelijkheid van Holland werd de leenrechtelijke band met Spanje en het Heilige Roomse Rijk verbroken. De leenrechtelijke verhoudingen tussen Holland en zijn vazallen bleef echter intact. Het enige verschil was de persoon die optrad als leenheer: dit waren niet meer de Graven van Holland, maar de Staten van Holland.2 De status van leenrechten en heerlijke rechten die door de Graven van Holland waren verpand, wijzigde dan ook niet toen de Graven werden opgevolgd door de Staten. De identiteit van de pandgever wisselde van de Graven naar de Staten. De verhouding tussen de pandhouder van een leenrecht of een heerlijk recht en de pandgever bleef echter ongewijzigd.3 Het stond dus buiten twijfel dat de Staten van Holland een pandrecht tegen zich moesten laten gelden, als dit was gevestigd door de Graven van Holland.4
Rechtsgevolgen van de vestiging van het pandrecht
Met de vestiging van het pandrecht trad de pandhouder in de rechten en verplichtingen die op de leenman rustten. Het pandrecht van de leenman op het dominium utile bracht mee dat alle baten die uit het leen voortkwamen, toekwamen aan de pandhouder.5 Met de vestiging van een pandrecht op een leenrecht kwam dan ook vrijwel altijd een recht van pandgebruik tot stand. Rustte het pandrecht op een heerlijk recht, dan kon hij de daaraan verbonden (publiekrechtelijke) bevoegdheden uitoefenen.
Het recht van pandgebruik op leenrechten en heerlijke rechten speelde in het bijzonder een rol bij de verpanding van grondgebieden die een bestuurlijke eenheid vormden, zoals steden. De pandhouder van een grondgebied was inningsbevoegd ten aanzien van alle belastingen die aan het grondgebied verschuldigd waren. Hij kreeg alle administratie die noodzakelijk was om deze belastingen te innen. De verschuldigde belastingen konden zeer talrijk en uiteenlopend van aard zijn. Zo maakten de Graven van Holland in het kader van de verpanding van Woerden melding van de volgende te heffen belastingen en rechten: erfpachten, tollen, graantienden, maaltienden, henneptienden, recht van wagen, viseren en cijnsen.6 De belastingen die aan een grondgebied toevielen, maakten dat dit jaarlijks een flink inkomen gaf. Dit jaarlijkse inkomen kon met een redelijke mate van nauwkeurigheid worden begroot.7 In het kader van de verpanding van Woerden werd het inkomen van de stad bijvoorbeeld geschat op 2.239 pond per jaar. Het hoge en stabiele inkomen dat de pandhouder jaarlijks uit belastingen kon verkrijgen, maakte grondgebieden zeer geschikt voor pandgebruik.8
Voorts verkreeg de pandgebruiker van een grondgebied de bestuurlijke bevoegdheden die aan dit grondgebied waren verbonden. Deze bevoegdheden waren overigens ook afzonderlijk verpandbaar als heerlijke rechten.9 Deze bevoegdheden zagen in het bijzonder op rechtspraak en de benoeming van ambtenaren. Partijen konden in de pandovereenkomst beperkingen aanbrengen in de wijze waarop de pandhouder zijn bestuurlijke bevoegdheden uitoefende. Zo verkreeg de pandhouder bij de verpanding van Woerden verschillende benoemingsrechten. Deze rechten werden door de pandovereenkomst ingeperkt via een vereiste van herkomst. De pandhouder kon enkel Hollanders benoemen:
“Item is noch ondersproken, dat die voorsz. Hertoch, syne naecomelingen ofte actie van hem hebbende, hem sullen moeten reguleren, aengaende ’t gebruyck vande hooge Heerlickheyden sulcker wyse, dat die voorsz. Hertoch, syne naecomelinghen off actie van hem hebbende, niet en sullen moghen doen bedienen die Officien van Bailliuschap, Casteleinschap, Schoutambachten, Clerckambachten, ende andere Officien by eenige uytlandtsche, maer alleenlick by den ghenen die geboren sijn in onsen Lande van herwaerts over.”10
Daarnaast was de pandgebruiker aansprakelijk voor de verplichtingen die op het grondgebied rustten. Als het leenrecht bijvoorbeeld was bezwaard met grondrenten, moest de pandgebruiker deze grondrenten voldoen.11 Partijen konden deze aansprakelijkheid afwijkend regelen in de pandovereenkomst. Het is de vraag of de pandhouder zo’n afwijkende regeling kon tegenwerpen aan schuldeisers van het grondgebied. In Observatie 1545 van Van Bijnkershoek lijkt dit niet het geval te zijn geweest. De Staten van Holland vaardigden een bevel uit tot herdijking van Zevenbergen. Hoewel Lucius Titius en Hoogstraten overeen waren gekomen dat alle kosten ten behoeve van het onderpand voor rekening van Hoogstraten zouden komen, was de pandgebruiker door afwezigheid van Hoogstraten toch gedwongen te betalen voor de herdijking van Zevenbergen.12