Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.1:4.3.1 Onroerende zaken
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.1
4.3.1 Onroerende zaken
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264384:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Thomas 2007, p. 57-62. Vgl. Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7.
Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15.
Van Wassenaer 1661, nr. 14.57.
Van Bijnkershoek, OT, nr. 1545 en 1612; Pauw, OTN, nr. 895. Zie ook Van de Sande, Gewysder Saecken, nr. 3.12.10-11; De Blécourt, Sententiën, nr. 128, 129 en 163.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op het recht van pandgebruik op onroerende zaken was D. 20,1,11,1 (Marcianus) van toepassing. De Rooms-Hollandse auteurs leidden uit deze Digestentekst de volgende bevoegdheden af: de bevoegdheid om verpande grond zelf te bewerken, te bewonen of te verhuren.1 Onroerende goederen lijken één van de meest gebruikte vermogensbestanddelen voor een recht van pandgebruik te zijn geweest. Zo spraken Noodt en Voet als voorbeelden van bevoegdheden uit pandgebruik enkel over bevoegdheden ten aanzien van onroerende goederen.2 Huber betrok zijn bespreking van het recht van pandgebruik in het bijzonder op de verpanding van landbouwgrond.3 De voorbeeldakte van Van Wassenaer ging over het recht van pandgebruik op een stuk grond. Het begin van de akte gaf de gebruiksbevoegdheden van de (rente)pandgebruiker als volgt weer:
“gebruyken, weyen, besayen, verhueren tot sijnen voordele ende pericule jegens ende in compensatio vanden Interesse vande voorsz penningen”4
Voorts kwam pandgebruik van stukken grond terug in jurisprudentie.5 In Definitio 3.12.10 van Van de Sande had ene Titius een stuk grond in rentepandgebruik gegeven aan een zekere Gaius:
“Titius van Gaius geldt gheleent hebbende heeft hem een plaets ofte seeckere Landen tot onderpandt ghestelt met die Conditie dat Gaius die Landen voor de Renten soude ghebruycken ende ghenieten; Gaius heeft de Landen voor een seecker summe geldts aen een ander verhuyrt.”