Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.5:4.3.5 Pignus nominis
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.5
4.3.5 Pignus nominis
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264439:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is verdedigbaar dat het innen van rentetermijnen uit een verpande vordering een bevoegdheid was die voortvloeide uit het recht van pandgebruik. De rentetermijnen over de verpande vordering golden als vruchten en kwamen daarom toe aan de pandhouder. Deze vruchtopbrengst moest dan ook behandeld worden zoals iedere vruchtopbrengst die de pandgebruiker in de uitoefening van zijn pandrecht verkreeg. De door de pandgebruiker geïnde rente gold als aflossing op de gesecureerde vordering of als rentevergoeding over de gesecureerde vordering. Naar Romeins recht zijn er geen bronnen die de toepassing van het recht van pandgebruik op een vordering laten zien. Deze toepassing behoorde echter wel tot de Rooms-Hollandse rechtspraktijk.
Van der Keessel legde een verband tussen het pandrecht op vorderingen en het recht van pandgebruik. Het verpanden van vorderingen, in het bijzonder vorderingen aan toonder (openbare schuldbrieven), was volgens Van der Keessel zeer gebruikelijk. Het pandrecht op een vordering aan toonder kwam tot stand door het toonderstuk in de feitelijke heerschappij van de pandhouder te brengen. Als de pandhouder een rentedragende toondervordering in pand had, kwam het recht van pandgebruik in beeld. Op vertoon van het toonderstuk kon de pandgebruiker periodiek rente over deze (verpande) vordering innen. Deze rente was een burgerlijke vrucht van de verpande vordering. Zij werd voor het pandgebruik dan ook op dezelfde manier behandeld als alle opbrengsten die voortvloeiden uit het onderpand. Als het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had, kwam de rente van de verpande vordering in mindering op de door dit pandrecht gesecureerde vordering. Bij een rentepandgebruik kwam de rente over de verpande vordering in de plaats van een rentevergoeding over de gesecureerde vordering.1
De toepassing van het recht van rentepandgebruik op een vordering aan toonder kwam terug in zaak waarover De Groot adviseerde. De casus is uitgewerkt in §4.3.2. Breeman was zekerheidseigenaar en pandgebruiker van een rentebrief die periodiek recht gaf op de uitkering van een geldbedrag. Hij was bevoegd de vervallen rentetermijnen te innen bij de schuldenaar van de rentebrief, Philipsz. Deze geldbedragen kwamen in plaats van een rentepercentage over de vordering van Breeman op Joosten.2