Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/7.7.3
7.7.3 Strategisch besluitbegrip
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268489:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer CBb 18 oktober 2011, ro 5.5, ECLI:NL:CBB:2011:BU3246 (WSM), CBb 28 december 2007, ECLI:NL:2007:BC4185 (LTO Noord), CBb 20 april 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AW574, Rb. Rotterdam 26 januari 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BA0030 en Rb. Rotterdam 29 september 2006, ECLI:NL:RBOT:2006:AY9724.
Van rechtsgevolg is sprake bij een wijziging in de wereld van het recht. In de bestuursrechtspraak wordt in dit verband gesteld dat een beslissing erop gericht is om een bevoegdheid, recht of verplichting voor één of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel om de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. Zie hierover uitgebreid R. Ortlep & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Heeft het rechtsvast stellend besluit bestaansrecht?’, annotatie bij ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:164, AB 2017/194, afl. 24, p. 1296-1303, en de conclusie van R.G.J.M. Widdershoven, RvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249.
Een besluit kan betrekking heeft op bepaalde in concreto bestaande rechtsverhoudingen, die zij bindend wil vaststellen (declaratoir), hetzij in het leven wil roepen (constitutief). Ook rechtsvaststellende besluiten kunnen overigens een constitutief element bevatten. Van een rechtsvaststellend besluit zou kunnen worden gesproken indien 1. de rechtsgevolgen ervan worden bepaald door de wet, 2. de rechtsgevolgen pas intreden als gevolg van de in concreto bindende vaststelling door het bestuursorgaan, en 3. het bestuursorgaan door deze beslissing zichzelf bindt (zie F.J. van Ommeren, ‘Wetsinterpretatie: het bestuurlijk oordeel als rechtsvaststellend besluit?’, JBplus 2000, afl. 3, p. 113–124). Bij een toetsingsoordeel zal, in ieder geval, dit laatste element ontbreken.
Zie bijvoorbeeld CBb 17 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:5, AB 2018/76, m.n. J.J.A. Waverijn en A. Outhuijse, r.o. 6.2, CBb 27 mei 2015, ECLI:NL:CBB:2015:175 (zondagsopenstelling) en ABRvS 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1803 (kapvergunning).
Zie hierover onder meer F.C.M.A. Michiels, ‘Rechtsoordelen zonder rechtsbescherming’, AA 1998/47, afl. 7/8, p. 695-700, R. Ortlep & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Heeft het rechtsvaststellend besluit bestaansrecht?’, annotatie bij ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:164, AB 2017/194, afl. 24, p. 1296-1303, F.J. van Ommeren, ‘Wetsinterpretatie: het bestuurlijk oordeel als rechtsvaststellend besluit?’, JBplus 2000, afl. 3, p. 113–124, en de annotatie van R. Ortlep bij ABRvS 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1803, AB 2015/289, afl. 33, p. 1821-1824.
Vergelijk de door Staatsraad advocaat-generaal R.G.J.M. Widdershoven gegeven definitie van een bestuurlijk rechtsoordeel, RvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249, r.o. 3.6. Een bestuurlijk rechtsoordeel wordt door Widdershoven gedefinieerd als een zelfstandig en als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift aangaande de toepassing waarvan dat orgaan bevoegdheden heeft.
Vergelijk de annotatie van R.J.N. Schlössels bij de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AH7013, JB 2000/104. Het betrof hier de beoordeling door de Minister van de risico’s van een milieugevaarlijke stof, waarbij de bevindingen en conclusies werden vastgelegd in een ‘risicorapport’. Schlössels meent dat dit rapport geen besluit is in de zin van de Awb, noch kan worden aangemerkt als een appellabel ‘rechtsoordeel’. Hij houdt het erop dat het vaststellen van het rapport nog de meeste verwantschap vertoont met een voorbereidingshandeling in de zin van art. 6:3 Awb.
Het voorlopig oordeel was hier gegeven in de context van een onderneming die vervolgens was opgehouden te bestaan. De bestuurder kon –zonder dat de AFM hiertegen bezwaren had- aan de slag bij de rechtsopvolger van deze onderneming, maar wenste het oorspronkelijke, negatieve betrouwbaarheidsoordeel nog wel aan te vechten. Het CBb oordeelde dat, voor zover de AFM de aan het betrouwbaarheidsoordeel ten grondslag gelegde feiten als antecedent zou willen hanteren bij een nieuwe beoordeling omtrent bijvoorbeeld een vergunning, de bestuurder hiertegen te zijner tijd bezwaar en beroep kon instellen. Dit werd niet onredelijk bezwarend geacht. Zie CBb 28 december 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BC4185, r.o. 6.3 en 6.4.
Zie art. 263 en 288, vierde lid, VWEU.
R. Barents, Europees recht, Groningen: Noordhoff 2016, p. 147-148.
HvJ EU 11 november 1981, C-60/81, ECLI:EU:C:1981:264, r.o. 9-12. Tussenstappen met als doel de definitieve besluitvorming voor te bereiden kwalificeren niet als een appellabel besluit. Hiertegen kan worden opgekomen tegelijkertijd met het definitieve besluit. In uitzonderingsgevallen kan toch een bindend effect worden aangenomen, zoals in de zaak Spanje /Commissie, waar de beslissing direct financiële gevolgen had voor betrokkene (HvJ EU 30 juni 1992, C 312/90, ECLI:EU:C:1992:282). Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich hier, mijns inziens, niet voor.
In deze paragraaf onderzoek ik de mogelijkheden die het bestuursrecht kan bieden om alsnog rechtsbescherming te verlenen, waaronder het “strategisch besluitbegrip”. Geconcludeerd kan worden dat de beleidsbepaler van het bestuursrecht waarschijnlijk weinig te verwachten heeft. Ik licht dit als volgt toe.
Toetsingsoordeel is geen besluit
Wanneer de beleidsbepaler wordt teruggetrokken komt het, zoals hiervoor is aangegeven, niet tot een besluit in de zin van de Awb. Wat resteert is het (negatieve) voorlopige oordeel van de toezichthouder ten aanzien van de geschiktheid of de betrouwbaarheid van de betrokken beleidsbepaler. Ook dit oordeel kwalificeert niet als een besluit in de zin art. 1:3 Awb. Het oordeel is namelijk niet op rechtsgevolg gericht. Dit is vaste jurisprudentie.1
Deze rechtspraak lijkt mij dogmatisch juist. Het toetsingsoordeel krijgt immers pas zijn werking in het kader van een (eventueel) later te nemen besluit, zoals een afwijzing van de voorgedragen kandidaat of een aanwijzing tot heenzending, en is niet los daarvan op zelfstandig rechtsgevolg gericht.2 Daarmee is geen sprake van een rechtscheppend (constitutief), noch van een rechtsvaststellend (declaratoir) besluit.3 De rechtsbescherming is zo ingericht dat betrokkenen de latere besluitvorming dienen af te wachten en desgewenst tegen deze besluiten kunnen opkomen. Dit latere besluit vormt de toegangskaart tot de bestuursrechter.
Strategisch besluitbegrip
In bijzondere gevallen kan een “bestuurlijk rechtsoordeel”, voor wat betreft de rechtsbescherming, worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, dan wel daaraan gelijk worden gesteld. Deze mogelijkheid is in de rechtspraak ontwikkeld en stelt de bestuursrechtelijke rechtsgang open in die gevallen dat het afwachten of uitlokken van een eventueel later op basis van het oordeel te nemen besluit, waartegen rechtsbescherming open staat, als een voor betrokkene onevenredig bezwarende weg naar de rechter wordt beschouwd.4 Hiermee wordt een alternatieve route gecreëerd naar de bestuursrechter, in die gevallen dat de dogmatiek een effectieve rechtsbescherming in de weg staat. Dit wordt wel het “strategisch besluitbegrip” genoemd.5
Hoewel dit een aantrekkelijke optie lijkt voor de teruggetrokken beleidsbepaler, acht ik de kans klein dat deze rechtspraak de teruggetrokken beleidsbepaler verder kan helpen. Anders dan de in de rechtspraak genoemde gevallen heeft de toezichthouder in het geval van de teruggetrokken beleidsbepaler slechts het voornemen geuit tot het nemen van een besluit, of heeft dit voornemen slechts aangekondigd (in de in paragraaf 7.7.1 genoemde brief). Deze aankondiging heeft net als het voornemen op zichzelf geen zelfstandige betekenis en bindt noch betrokkenen noch de toezichthouder. De uitingen zijn voorlopig van aard en niet als definitief bedoeld. De toezichthouder is immers bereid (en maakt dit met het woord “voornemen” expliciet) om zijn oordeel, afhankelijk van het verloop van de dialoog-fase en het horen van betrokkenen, aan te passen en nader vorm te geven. Pas met het nemen van een besluit worden zowel het toetsingsoordeel als de gevolgen van dit oordeel definitief vastgesteld. Daarmee lijkt er geen sprake te zijn van een bestuurlijk rechtsoordeel dat vatbaar is voor toepassing van het strategisch besluitbegrip.6 Veeleer lijkt sprake van een voorbereidende, feitelijke handeling.7 Ook in de zaak LTO Noord werd het beroep van een beleidsbepaler op het strategisch besluitbegrip niet toegestaan, al was de situatie hier een andere dan die van een “teruggetrokken” beleidsbepaler.8
De rechtspraak rondom het strategisch besluitbegrip lijkt niet bedoeld om een bestuursorgaan bestuursrechtelijk ter verantwoording te roepen voor een ingenomen standpunt, zolang dit voorlopig van aard is. Dat lijkt mij juist. Een andere uitleg zou leiden tot een ongewenste vermenging van de juridische procedure tegen het voorlopig oordeel, en de feitelijke afronding en finalisering van dit voorlopige oordeel in de administratieve procedure. Tegelijkertijd wringt dit, omdat dit betekent dat de gespecialiseerde rechtsgang (toegang tot de bestuursrechter) ontbreekt. Hiervoor zou mijns inziens een oplossing moeten worden gevonden, bijvoorbeeld in de vorm van een vaststellingsbevoegdheid (zie paragraaf 7.7.6).
Geen Europese rechtsbescherming
Naar verwachting zal een voorlopig toetsingsoordeel van de ECB, of een voorgenomen besluit, evenmin worden aangemerkt als een besluit waartegen bij de Europese rechter kan worden opgekomen.9 Zo zijn brieven waarvan de inhoud aantoont dat het gaat om een voorlopige stellingname, in afwachting van een definitieve positie, in zijn algemeenheid niet vatbaar voor beroep.10 Een standaard-arrest hierbij is IBM/Europese Commissie.11 Het Hof bepaalde in deze zaak dat alleen beroep open staat tegen beslissingen met een bindend karakter, die rechtsgevolg hebben en het definitieve oordeel bevatten van de betreffende EU-instelling. Het Hof kijkt hierbij niet zozeer naar de vorm van de beslissing, maar naar de inhoud. Een voorgenomen besluit voldoet niet aan deze eisen. Het doel van een dergelijk voornemen is om de instelling in staat te stellen om zijn zienswijze te geven (recht om gehoord te worden) zodat de Commissie een weloverwogen besluit kan nemen. Het voornemen is dus slechts een procedurele stap met een voorbereidend, niet definitief karakter.