De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.4.9:3.4.9 2017 - Opheffing Onderwijscoöperatie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.4.9
3.4.9 2017 - Opheffing Onderwijscoöperatie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949508:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2015/16, 34 458, nr. 3, p. 15.
Kamerstukken II 2015/16, 34 458, nr. 3, p. 1.
Stb. 2017, 85.
P. Vissers, ‘Leraren willen geen registratieplicht’, Trouw 16 oktober 2017 (https://www.trouw.nl/nieuws/leraren-willen-geen-registratieplicht~ba763ea0/, geraadpleegd op 4 januari 2019)
Kamerstukken II 2015/16, 34 458, nr. 3, p. 9 e.v.
A. Rinnooy Kan, Verkenning leraren, bijlage bij Kamerstukken I, 2018/19, 34458, H, p. 2.
A. Rinnooy Kan, Verkenning leraren, bijlage bij Kamerstukken I, 2018/19, 34458, H, p. 3.
Kamerstukken II 2017/18, 27 923, nr. 308, p. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Onderwijscoöperatie speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van de Wet beroep leraar. Zij gold voor de minister als de vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de leraar op landelijk niveau.1 Met de Onderwijscoöperatie is nauw overleg gevoerd over het opzetten van het wettelijk verankerde lerarenregister en de voorwaarden die verbonden zouden worden aan registratie in dit register. Hoewel de Onderwijscoöperatie door de minister gezien werd als de vertegenwoordiger van de leraren op landelijk niveau voor het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs, voelden individuele leraren zich onvoldoende vertegenwoordigd.2 Dit kwam in het bijzonder naar voren bij de behandeling van de Wet beroep leraar.3 Vanuit de leraren was er veel kritiek op het in dit wetsvoorstel opgenomen lerarenregister.4 In dit register zouden alle leraren in het primair en voortgezet onderwijs moeten komen te staan die voldeden aan de bekwaamheidseisen.5 In het aan dit register gekoppelde portfolio zouden de leraren hun nascholing in het kader van bekwaamheidsonderhoud moeten opnemen met het oog op het behouden van de registratie. Als een leraar zijn bekwaamheid niet zou onderhouden, dan kon hij zich niet laten herregistreren, wat tot gevolg zou kunnen hebben dat hij geen onderwijs meer mag geven. De nadere uitwerking van de criteria voor (her)registratie werd overgelaten aan de beroepsgroep in de vorm van de Onderwijscoöperatie.
Het register zou volgens de leraren leiden tot te veel bureaucratie en zou te ver afstaan van de leraar in de klas. De leraren voelden zich daarnaast onvoldoende vertegenwoordigd in de Onderwijscoöperatie die met de minister had onderhandeld over het wetsvoorstel en het lerarenregister beheerde. Dit gebrek aan vertegenwoordiging leidde na een crisis over het leiderschap van de Onderwijscoöperatie uiteindelijk tot het opheffen van deze beroepsorganisatie. In een brief aan de Tweede Kamer die minister Slob stuurde na opheffing van de Onderwijscoöperatie schreef hij het volgende over de organisatie van de beroepsgroep leraar:
“De beroepsgroep is echter zeer verdeeld. Er is geen sprake van een representatieve organisatie van de beroepsgroep of een door leraren zelf vormgegeven vertegenwoordiging die eisen stelt aan de uitoefening van het beroep en zich kan uitspreken over beroepsethiek en scholing. En een natuurlijk vertrekpunt om tot een dergelijke organisatie te komen, ontbreekt.”6
In een briefadvies uit 2018 concludeert Rinnooy Kan dat er de afgelopen jaren meer ruimte is gekomen voor professionalisering van leraren en dat leraren via het met het nieuwe wettelijk verankerde professioneel statuut meer invloed en zeggenschap hebben gekregen in de school.7 De versterking van de beroepsgroep is echter onvoldoende van de grond gekomen. De Onderwijscoöperatie heeft haar belofte – om er voor alle leraren te zijn – niet kunnen waarmaken. De poging om ‘top down’ een beroepsorganisatie te vormen is niet gelukt. Daarnaast is de nadruk te veel komen liggen bij het lerarenregister. Dit register werd door leraren ervaren als een bedreiging en niet als een steun in de rug. Draagvlak voor het register ontbrak dan ook. Rinnooy Kan adviseert om een frisse start te maken en leraren in de gelegenheid te stellen zichzelf van onderop te organiseren om daarmee een breed draagvlak veilig te stellen.8
De minister gaf in 2018 aan nog steeds groot belang te hechten aan de verdere professionalisering van de leraar omdat hij aan de basis staat van de kwaliteit van onderwijs.9 Voordat het lerarenregister ingezet kan worden moet echter sprake zijn van een stevige representatieve beroepsorganisatie die van onderop tot stand komt en moet er aandacht zijn voor de schoolcontext waarin de Wet beroep leraar wordt toegepast. De minister erkent dat ‘de leraar’ niet bestaat en ziet dat de beroepsgroep divers is. Zo is de beroepsgroep onder meer verdeeld over drie sectoren en over vele vakgebieden.