Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.4.3
5.4.3 Enterprise liability in de Amerikaanse literatuur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS714026:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Priest, The Journal of Legal Studies 1985, p. 518
James, jr., Tennessee Law Review 1965, p. 400; Nolan & Ursin 1995, p. 3-4; Keating, Michigan Law Review 1997, p. 1267, 1279; Geistfeld, UCLA Law Review 1998, p. 620-621; Keating, Vanderbilt Law Review 2001, p. 1330-1331; Keating 2023.
Keating, Michigan Law Review 1997, p. 1267.
Nolan & Ursin 1995, p. 13 e.v.; Goldberg, Georgetown Law Journal 2003, p. 537 e.v.
Goldberg, Georgetown Law Journal 2003, p. 537 e.v.
Goldberg, Georgetown Law Journal 2003, p. 538-539. Zie overigens ook Priest, The Journal of Legal Studies 1985, p. 520, die met betrekking tot de aansprakelijkheid van de producent drie andere uitgangspunten formuleert: 1) manufacturer power, 2) the benefits of manufacturer-provided insurance, en 3) internalization of injury costs to manufacturers.
Zie bijvoorbeeld: Priest, The Journal of Legal Studies 1985, p. 518 e.v; Keating 2023.
Priest, The Journal of Legal Studies 1985, p. 461-527, die enterprise liability gelijkstelt aan deterrence en loss dispersion. Zie ook: Geistfeld, UCLA Law Review 1998, p. 613.
Zie m.b.t. het Nederlands recht: Van Dunné, WPNR 1990/5976, p. 617 e.v.
Geistfeld, UCLA Law Review 1998, p. 613; Keating, Vanderbilt Law Review 2001, p. 1286: “The costs of an injury should be shared by those who profit from the activity responsible for the injury; they should not be concentrated on the injured party, or be dispersed across unrelated activities.” Eerder ook al: Keating, Michigan Law Review 1997, p. 1269.
Keating, Michigan Law Review 1997, p. 1333: “In the world of activities, the financial costs of accidental injuries can be spread fairly across the enterprises that satisfy the basic criteria of insurability.”
Keating, Michigan Law Review 1997, p. 1334-1345: “The core cases of enterprise liability – including manufacturing defects – are marked by direct control. Manufacturers exercise direct and essentially exclusive control over the rate of manufacturing defects. The manufacturer’s decision about materials, production and inspection determine how often people’s expectations for the products will be disappointed and how often their physical integrity will be violated.” Keating noemt deze mate van direct control ook een vorm van intentionality.
Keating, Michigan Law Review 1997, p. 1269 e.v., die spreekt over ‘fairness’; Keating 2023.
Rabin, Maryland Law Review 1996, p. 1193-1194; Keating, Vanderbilt Law Review 2001, p. 1330-1331.
Het gaat dan bijvoorbeeld om Workers’ Compensation Plans. Nolan & Ursin 1995, hoofdstuk 3 e.v.
Nolan & Ursin 1995, deel III, die dit ‘The Common Law Strategy’ noemen. Zie ook: Goldberg, Georgetown Law Journal 2003, p. 538-539.
Keating 2023.
Keating 2023.
Keating 2023.
Priest, The Journal of Legal Studies 1985, p. 461-527; Keating, Journal of Tort Law 2017, p. 41-97.
Keating 2023. Vgl. De volgende artikelen in andere common law landen: Brodie, OJLS 2007, p. 493-508; Brodie 2010; Giliker, JETL 2013, p. 306-313; Gray, Australian Business Law Review 2018, p. 178-198.
Priest, The Journal of Legal Studies 1985, p. 461-527; Sharp, Toronto Faculty of Law Review 1976, p. 84.
Bijv. Schwartz, Georgia Law Review 1992, p. 601-702.
Rabin, Maryland Law Review 1996, p. 1193-1194; Keating, Vanderbilt Law Review 2001, p. 1329. Keating noemt het voorbeeld van de ontwikkeling van res ipsa loquitur en omkering van de bewijslast in bepaalde gevallen.
Rabin, Maryland Law Review 1996, p. 1193-1194.
Wantzen 2007.
Jansen (2003) 2021, p. 464 e.v.
Enterprise liability vormt in de Amerikaanse tort law literatuur een belangrijke theoretische stroming.1 Kort gezegd vormt de enterprise liability-gedachte een rechtvaardiging om ‘enterprises’ (ondernemers) verantwoordelijk te houden voor schade die kenmerkend is voor hun ‘activities’ en niet zozeer voor hun daden.2 Zoals Keating schreef:
“[Enterprise liability] holds that the characteristic risks of the modern world are the inevitable by-products of planned activities – not the random consequences of discrete acts – and seeks to make activities – not actors – bear the costs of the accidental injuries that they occasion.”3
Enterprise liability wordt in de Amerikaanse literatuur veelal omschreven als een reactie op de traditionele tort law theory. Deze traditionele theorie ging uit van fault of blameworthiness als reden voor schadeafwenteling. Aan het begin van de twintigste eeuw ontstond de idee dat traditionele negligence law niet geschikt was om compensatie te bieden te bieden voor schade als gevolg van ‘moderne gevaren’.4 Negligence law werd bovendien getypeerd als ‘sympathetic to industry’, hetgeen problematisch werd geacht.5 Om deze kritiekpunten op te vangen, werd gepleit voor de ontwikkeling van enterprise liability. De enterprise liability-gedachte is gestoeld op drie veronderstellingen. Ten eerste zou de moderne tijd getypeerd worden door grootschalige, repetitieve activiteiten die kunnen leiden tot schade. Ten tweede zouden benadeelden vooral minder vermogende personen zijn, die moeite hadden om hun schade te verhalen. Ten derde zouden de schadeveroorzakers mogelijkheden hebben om eventuele schade te vergoeden, te verzekeren of op andere wijze te spreiden.6 Enterprise liability zou een antwoord op deze ontwikkelingen bieden. Enterprise liability heeft twee betekenissen. Ten eerste wordt verwezen naar enterprise liability als rechtsbeginsel of rechtvaardigheidsgrond. Ten tweede wordt verwezen naar enterprise liability als uiting in het positieve recht.
Enterprise liability als rechtvaardigheidsgrond wordt veelal gezien als tegenhanger van het schuldbeginsel.7 Het is lastig om enterprise liability als rechtvaardigheidsgrond te definiëren, omdat er geen consensus in de Amerikaanse literatuur is over de inhoud en afbakening. Zo wordt enterprise liability soms vereenzelvigd met rechtseconomische rechtvaardigingen,8 het gevaarzettingsbeginsel,9 het profijtbeginsel,10 het draagkrachtbeginsel,11 beheersing van het risico12 of, in algemene zin, de billijkheid.13 Enterprise liability wordt gezien als vorm van distributieve rechtvaardigheid in plaats van correctieve rechtvaardigheid.14
De enterprise liability-gedachte heeft het Amerikaanse positieve recht op verschillende wijzen beïnvloed. Een uitgebreide analyse gaat de reikwijdte van dit proefschrift te buiten. Kort gezegd komt de gedachte neer op het volgende. Ten eerste wordt de ontwikkeling van collectieve verzekeringen en schadefondsen toegeschreven aan enterprise liability.15 Ten tweede heeft de enterprise liability-gedachte voet aan de grond gekregen door de interpretatie van common law door de rechter.16 Keating schreef eerder dat de meest vergaande vorm van enterprise liability een risicoaansprakelijkheid voor activiteiten van de entrepreneur is:
“[Enterprise liability] finds its fullest expression in strict liability […].”17
Hij omschrijft enterprise liability als een vorm van harm-based strict liability:
“Harm-based strict liabilities have a complex and delicate structure. They involve justified harmful conduct whereas negligent torts do not. But they also involve wrongs—that is the violation of a right—and unfairness. The wrong, in brief, lies in failing to repair harm in circumstances where it is fair for the actor to inflict the injury but unfair for the actor to leave the ensuing loss on the victim. The wrong involved in harm-based strict liabilities lies in benefitting from the reasonable infliction of harm on another at the expense of that other—that is, without making reparation for the harm from which one has benefitted.”18
Kenmerkend voor enterprise liability in het positieve recht is dat het leerstuk van toepassing is op activiteiten en niet op individuele handelingen, zo vervolgt Keating.19 Exemplarisch is de ontwikkeling van productaansprakelijkheid in de rechtspraak halverwege de vorige eeuw, die uitgaat van een ‘defect’ in het product.20 Maar ook vicarious liability is beïnvloed door enterprise liability, omdat hier geen sprake is van een individuele handeling van de laedens.21
In de literatuur wordt enterprise liability omschreven als een vorm van strict liability (risicoaansprakelijkheid) of als ‘liability without fault’.22 Dit is door sommige auteurs ter discussie gesteld. De kritiek is tweeledig. Sommige auteurs betwisten niet de gelijkstelling tussen enterprise liability en strict liability, maar menen dat het Amerikaanse recht geen vorm van strict liability – en dus geen vorm van enterprise liability – kent. Zo zou bijvoorbeeld product liability – dat vaak wordt omschreven als vorm van strict liability – tevens fault-elementen in zich hebben.23 Andere auteurs stellen de gelijkstelling van enterprise liability en strict liability wel ter discussie en menen dat de enterprise liability-gedachte ook het Amerikaanse fault liability heeft beïnvloed.24 Enterprise liability past volgens die opvatting niet in een tweedeling tussen negligence en strict liability.25 Problematisch is dat veel auteurs de termen ‘negligence’, ‘fault’ en ‘strict liability’ niet definiëren.
Ook in de Duitse literatuur wordt de enterprise liability-gedachte genoemd.26 N. Jansen noemt enterprise liability een ‘legal ethical principle’ binnen het Duitse aansprakelijkheidsrecht. ‘Legal ethical principles’ zijn volgens hem ‘“[p]rinciples of public morality, which are consistent with the structure of tort law normative considerations, but are not justified without more from the positive law. They are compensatory-focused principles, which, like the risk principle, are generally independent of any reference to a wrong.”27