Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.3
3.3 Doel van opname van de onmiddellijke voorzieningen in de wet
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196971:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1982/83, Voorontwerp van Wet, p. 8 (MvT).
Rb. 's-Hertogenbosch (President) 15 juni 1979, ECLI:NL:RBSHE:1979:AC4192.
Kamerstukken II 1982/83, Voorontwerp van Wet, p. 8 (MvT).
Kamerstukken II 1982/83, Voorontwerp van Wet, p. 8 (MvT).
SER 1988/14, 4.4 ev.
De SER signaleerde dat de President een groot scala aan maatregelen ter beschikking had en snel kon ingrijpen.
SER 1988/14, p. 17.
SER 1988/14, p. 17.
Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 6 (MvT).
Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BB3523, bij HR 14 december 2007 (DSM), nr. 3.83.
[99] Ten tijde van het Voorontwerp bestond onzekerheid over de bevoegdheid tot het nemen van maatregelen in de periode tussen het indienen van een enquêteverzoek en het treffen van de in artikel 2:356 BW vermelde voorzieningen.1
Enerzijds leek een bevoegdheidsvacuüm te bestaan. Uit een uitspraak in kort geding was namelijk afgeleid, dat de President vanaf de indiening van een enquêteverzoek niet bevoegd was tot het treffen van maatregelen die zouden neerkomen op een voorziening op grond van artikel 2:356 BW.2 Ook de Ondernemingskamer zou in dat stadium niets kunnen doen, want zij had geen bevoegdheid tot het nemen van ordemaatregelen. Het leek er op dat “de uitvoering van een besluit van het bestuur van de onderneming dat dreigt het onderzoek te doorkruisen” niet zou kunnen worden tegengehouden.3
Anderzijds kon op grond van andere rechterlijke uitspraken worden aangenomen dat de President na het indienen van een enquêteverzoek wel bevoegd was, zodat de President en de Ondernemingskamer zich tegelijkertijd over hetzelfde geschil zouden moeten buigen. Dat laatste werd “niet zeer gelukkig” geacht.4
De voorgestelde nieuwe regeling kwam aan die problemen tegemoet door de Ondernemingskamer in staat te stellen maatregelen te nemen in de periode vanaf het tijdstip van indienen van het enquêteverzoek tot het einde van het geding.
[100] Volgens de SER was de doeltreffendheid van de enquête met de voorgestelde nieuwe regeling gediend.5 Het werd praktisch gevonden dat de Ondernemingskamer, als de rechter die over het onderzoek beslist, in de hele enquêteprocedure bevoegd zou zijn om maatregelen te nemen met het karakter van artikel 2:356 BW-maatregelen. Het volgende was doorslaggevend. De Ondernemingskamer werd als gespecialiseerde rechter, beter dan de President, vertrouwd geacht met de aard van de vraagstukken die zich bij enquêtes voordoen. Zij kent bovendien de feiten en omstandigheden van elke afzonderlijke enquête en kan zich op snelle en doeltreffende manier met de onderzoeker verstaan over te treffen voorzieningen. De noodzaak om de Ondernemingskamer deze bevoegdheid te geven, had niet te maken met de snelheid van de President of met diens armslag.6
De SER bestempelde de criteria voor het treffen van voorzieningen op de voet van het voorgestelde artikel 2:349a lid 2 BW als aanzienlijk ruimer dan die voor de voorzieningen van artikel 2:356 BW.7 De regeling neemt “het belang van het onderzoek dan wel de toestand van de rechtspersoon als toetspunt”.8 De wenselijkheid om de bevoegdheid aan de Ondernemingskamer toe te kennen, is door de wetgever onderschreven.9
A-G Timmerman vat de bedoeling van de SER en de wetgever als volgt samen:
“de SER en de wetgever wilden in het enquêterecht een kortgedingregeling inbouwen om een efficiënt verloop van de enquêteprocedure te bevorderen”
en
“de wetgever heeft bij het opleggen van onmiddellijke voorzieningen gedacht aan het verbieden van handelingen die wanbeleid opleveren of het verloop van het onderzoek doorkruisen”.10
Met die laatste woorden is mijns inziens kernachtig uitgedrukt waar onmiddellijke voorzieningen toe dienen.