Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.6.3
4.6.3 De ontbindingsgronden van artikel 2:301 BW
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232214:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Asser/Rensen 2-III 2017/358. Dijk/Van der Ploeg 2019/14.3.1, legt een verband tussen de ontbindingsgrond van artikel 2:301 lid 1 letter a BW en ‘de dode hand’. Of een dergelijk verband bestaat, kan worden betwijfeld. Het valt op dat Polak ten aanzien van de Wet op stichtingen vele argumenten noemt voor de vermogenseis, maar dat hij het argument van de dode hand niet noemt, Polak 1956, p. 59-65.
Deze ontbindingsgrond komt voort uit artikel 15 Wos. Zie hierover Polak 1956, p. 57-61. Zie ook Duynstee 1978, p. 87, waar de schrijver zich laat kennen als uitgesproken tegenstander van deze bepaling.
Vgl. M.Y. Nehte, ‘Lege stichtingen. Enige knelpunten, maar ook een lichtpuntje rond de toepassing van art. 2:301 BW’, WPNR 2000/6424, waarin zij opmerkt dat het bij de toepassing van artikel 2:301 BW gaat om de vraag of een organisatie schuilgaat achter de stichting en die organisatie kan nu eenmaal dikwijls niet werken zonder een zeker vermogen. Vgl. ook Hof Den Haag, kenbaar uit de conclusie van A-G Spier voor HR 2 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AF9938, JOR 2002/10.
Na artikel 2:19 lid 1 letter a BW en artikel 2:21 lid 1 letter a BW, vormt artikel 2:301 BW de derde te bespreken grondslag voor ontbinding van de stichting. Op grond van deze bepaling kan de rechter een stichting ontbinden indien:
het vermogen van de stichting ten enenmale onvoldoende is voor de verwezenlijking van het doel van de stichting en de mogelijkheid dat een voldoende vermogen door bijdragen of op andere wijze in afzienbare tijd zal worden verkregen, is in hoge mate onwaarschijnlijk; of
het doel van de stichting is bereikt of kan niet meer worden bereikt, en wijziging van het doel komt niet in aanmerking.
In de onder (i) genoemde grond, weerklinkt de oude gedachte uit de negentiende eeuw dat een stichting zonder vermogen geen bestaansrecht heeft.1 Deze gedachte is wellicht juist voor de stichting als doelvermogen, maar niet zonder meer voor de stichting als doelorganisatie.2
Vooral voor de bij dode opgerichte stichting mag niet te snel worden aangenomen dat het ontbreken van vermogen, tot ontbinding van de stichting zou moeten leiden. Zo zal geen vermogen nodig zijn indien de stichting tot doel heeft het uitoefenen van de persoonlijkheidsrechten uit artikel 25 lid 1 letters a tot en met d Aw 1912. Anders zal het liggen als de stichting tot doel heeft het in stand houden van een activum dat omvangrijke middelen vergt. Als de middelen ontbreken en geen uitzicht bestaat dat de stichting daar op afzienbare tijd (weer) over kan beschikken, is ontbinding een voor de hand liggende oplossing.3 De activa van de stichting worden dan uitgekeerd volgens de statutaire regeling zodat een andere instelling kan proberen de exploitatie succesvoller te doen zijn.
Omdat door de ontbinding wegens onvoldoende vermogen de wil van de erflater/oprichter wordt gefrustreerd, mag slechts onder zeer bijzondere omstandigheden van de ontbindingsgrond van artikel 2:301 BW worden gebruik gemaakt. Een van die gronden kan zijn dat de uiterste wil op grond van artikel 4:109 BW wordt vernietigd terwijl door de door mij voorgestane lezing van artikel 2:4 lid 1 BW de stichting toch in het leven zou zijn geroepen (zie hiervoor 3.2.2.3). Bij de terughoudendheid tot ontbinding van de stichting wegens onvoldoende vermogen is van belang dat geen groot gevaar bestaat dat er stichtingen zullen bestaan die blijvend niet aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen. Als de stichting in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, kan de rechter haar failliet verklaren (artikel 1 Fw).
Ook de onder (ii) genoemde grond is voor de bij dode opgerichte stichting van belang. Deze grond betreft echter in tegenstelling tot de onder (i) genoemde grond een algemeen onderwerp uit het stichtingenrecht en is niet nauw verbonden met de oprichting van een stichting bij of krachtens uiterste wilsbeschikking. Daarmee valt bespreking van de onder (ii) genoemde ontbindingsgrond buiten het onderzoek naar de bij dode opgerichte stichting zodat verdere bespreking hier niet nodig is.
De ontbinding kan door de rechter worden uitgesproken op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie. De rechter kan de stichting echter ook ambtshalve ontbinden.4