Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.7.2
4.7.2 Ratio
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291696:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage A, punt 3, derde alinea bij de Tweede Richtlijn.
Toelichting op art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 753. Bij de overdracht van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid om niet lijkt de Europese Commissie met name het oog te hebben gehad op de bedrijfsopvolging door schenking.
Toelichting op art. 5 lid 3 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 753. In soortgelijke zin: S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 94.
Anders: C.M. van Veelen en A.H. de Winter, ‘Overdracht van onroerende zaken door projectontwikkelaars, algemeenheid van goederen of gewoon een pand?’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2012/4, p. 2 die menen dat de toelichting op art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn in beginsel geen ruimte laat voor de beperking tot activiteiten van een producent, handelaar of dienstverrichter.
De systematisch onbevredigende redactie van art. 19 Btw-richtlijn vindt zijn oorsprong in een tweetal varianten die door Duitsland zijn voorgesteld als alternatief voor het voorgestelde art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn:“1. De Lid-Staten hebben de bevoegdheid in geval van eigendomsoverdracht in de vorm van inbreng in een vennootschap of anderszins, alsmede in geval van eigendomsoverdracht om niet van het geheel of van een gedeelte van een algemeenheid van goederen, ervan uit te gaan dat geen enkele verrichting noch enige wijziging wat de persoon van de belastingplichtige betreft, heeft plaatsgevonden;2. De Lid-Staten hebben de bevoegdheid in geval van overdracht onder bezwarende titel of om niet van het geheel of van een gedeelte van een algemeenheid van goederen, ervan uit te gaan dat geen enkele verrichting noch enige wijziging wat de persoon van de belastingplichtige betreft, heeft plaatsgevonden” (Werkdocument van 20 maart 1975, nr. T/196/75 (FIN), p. 5). In het door de voorzitter van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers ingediend herzien ontwerp van de zesde BTW-richtlijn van 23 februari 1977, nr. R/434/77 (FIN 90), p. 9 is in art. 5 lid 8 een mix van de vorige twee ontwerpteksten opgenomen: “De Lid-Staten mogen in geval van eigendomsoverdracht of inbreng van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen om niet of onder bezwarende titel ervan uitgaan dat geen transactie heeft plaatsgevonden. De persoon op wie de eigendom overgaat wordt geacht de persoon van de cedent voort te zetten. De Lid-Staten mogen in voorkomend geval de nodige maatregelen treffen om concurrentieverstoring te voorkomen ingeval de begunstigde niet volledig belastingplichtig is.” In deze mix kon iedere lidstaat zich kennelijk vinden, aangezien deze tekst met enkele redactionele aanpassingen is aangenomen (concepttekst Voorstel voor een zesde richtlijn van 24 maart 1977, nr. R/715/77 (FIN 150) en art. 5 lid 8 Zesde Richtlijn).
HvJ EG 27 november 2003, zaak C-497/01, V-N 2003/61.18, r.o. 39 (Zita Modes).
S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 94.
HvJ EG 27 november 2003, zaak C-497/01, V-N 2003/61.18, r.o. 41 (Zita Modes).
Conclusie A-G Van Hilten 2 juli 2013, nr. 12/03952, BNB 2014/224, punt 5.4 en S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 95.
Vgl. A.J. van Doesum, ‘BTW bij inbreng in personenvennootschappen’, TFO 2005/12. Anders dan Van Doesum meen ik dat uit de toelichting op art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn en met name de woorden ‘kan zijn’ niet af te leiden is dat de inbreng van goederen een belastbare levering is. Hierbij moet bedacht worden dat deze bepaling, anders dan Van Doesum lijkt te veronderstellen, geen uitzondering is op het begrip ‘levering op bezwarende titel’, maar op het begrip ‘levering’.
Andere mogelijke vereenvoudigingen zijn: het voorkomen dat btw berekend en voldaan moet worden over de ingebrachte of geschonken goederen (M.M.W.D. Merkx, ‘Modewereld nu ook verantwoordelijk voor de trend in de BTW’, MBB 2005/2, p. 64, S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 92, S.B. Cornielje, ‘Overgang van de onderneming in de omzetbelasting’, TFO 2017/151, p. 87, B.G. van Zadelhoff, ‘Overdracht algemeenheid van goederen en btw’, FBN 2018/9-41 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 165) en/of het voorkomen van waarderingskwestie die kunnen ontstaan bij de overdracht van een bundeling zaken tegen één prijs (conclusie A-G Jacobs 26 september 2002, zaak C-497/01, ECLI:EU:C:2002:551 (Zita Modes)). Zoals Cornielje terecht opmerkt, zijn vraagtekens te plaatsen bij de complexiteit van het berekenen en voldoen van btw dan wel waarderingskwesties bij de overgang van het geheel of een gedeelte van goederen (S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 92).
Onder vigeur van de Tweede Richtlijn hadden lidstaten de bevoegdheid bij inbreng van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in een vennootschap ervan uit te gaan dat deze vennootschap geacht wordt de persoon van de inbrenger voort te zetten.1 Uit art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn is af te leiden dat de Europese Commissie deze faciliteit wilde openstellen voor iedere eigendomsovergang ingevolge de inbreng van het geheel of van een gedeelte van een algemeenheid van goederen en de overdracht van het geheel of van een gedeelte van een algemeenheid van goederen om niet. Het doel van art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn is volgens de toelichting op dit artikel tweeledig: omdat de inbreng in vennootschappen als een belastbare levering onder bezwarende titel kan worden aangemerkt en bepaalde overdrachten om niet met belastbare leveringen gelijkgesteld worden, kunnen lidstaten omwille van de eenvoud en het niet te zwaar belasten van de financiële positie van het inbrengende of schenkende bedrijf afzien van btw-heffing.2 Het was de verwachting van de Europese Commissie dat lidstaten deze bevoegdheid met name zouden gebruiken indien de vennootschap waarin de goederen zijn ingebracht of waaraan de schenking is gedaan de desbetreffende goederen zal gebruiken voor een belastbare bedrijvigheid. Uit de toelichting op art. 5 lid 3 Voorstel voor een zesde richtlijn leid ik af dat met ‘belastbare bedrijvigheid’ een belaste bedrijvigheid is bedoeld.3
Bij voormelde toelichting op art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn moet bedacht worden dat de begrippen ‘bedrijf’ en ‘belast(bar)e bedrijvigheid’ betrekking hebben op de activiteiten van een producent, handelaar of dienstverrichter (lees: een ondernemersactiviteit) en niet (ook) op de exploitatie van een zaak om er op min of meer duurzame wijze opbrengst uit te verkrijgen. Laatstgenoemde beleggersactiviteit werd blijkens art. 4 leden 1 en 3 Voorstel voor een zesde richtlijn niet als een economische bedrijvigheid (lees: economische activiteit) aangemerkt, maar deze niet-regelmatig verrichte handeling leverde wel belastingplicht op.4 De lidstaten hebben de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen evenwel in afwijking van het Voorstel voor een zesde richtlijn aangemerkt als een economische activiteit (zie paragraaf 3.4.2). Daarnaast hebben de lidstaten ervoor gekozen om de faciliteit in art. 5 lid 8 Zesde Richtlijn niet alleen toe te passen op de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen om niet of in de vorm van inbreng, maar ook op de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen van goederen onder bezwarende titel.5 In de richtlijnhistorie is niets te vinden dat erop wijst dat lidstaten met deze wijzigingen beoogd hebben om art. 5 lid 8 Zesde Richtlijn ook toe te passen op de overdracht van de exploitatie om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, maar er is evenmin iets te vinden dat op het tegendeel wijst.
Het Hof van Justitie acht het duidelijk dat het (overkoepelende) doel van art. 19 Btw-richtlijn erin bestaat lidstaten in staat te stellen de overdrachten van ondernemingen of delen daarvan te vergemakkelijken, door ze te vereenvoudigen en te vermijden dat de financiële toestand van de verkrijger onder een buitensporige fiscale druk komt te staan, nu hij de te betalen btw later hoe dan ook weer als voorbelasting in aftrek kan brengen.6 Dat het Hof van Justitie niet de financiële positie van het inbrengende of schenkende bedrijf, maar de financiële positie van de verkrijger voor het voetlicht brengt, is in het licht van de richtlijnhistorie niet verwonderlijk. De lidstaten hebben er immers voor gekozen om art. 5 lid 8 Zesde Richtlijn (thans: art. 19 Btw-richtlijn) open te stellen voor iedere overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van inbreng in een vennootschap, terwijl art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel beperkte tot de situatie van inbreng in een vennootschap.7 Met name omdat het btw-bedrag dat bij een dergelijke overdracht door de verkrijger moet worden vooruitbetaald zeer aanzienlijk kan zijn in vergelijking met de middelen van de betrokken zaak, acht het Hof van Justitie een speciale behandeling van de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen gerechtvaardigd.8 Hieruit is op te maken dat het Hof van Justitie het vermijden dat de financiële toestand van de verkrijger onder een buitensporige fiscale druk komt te staan de belangrijkste doelstelling acht. In het licht van de richtlijnhistorie en gelet op de omstandigheid dat art. 19 Btw-richtlijn ook ziet op een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid om niet, is het niettemin zuiverder om vast te stellen dat art. 19 Btw-richtlijn als doel heeft om te vermijden dat de financiële toestand van de betrokken partijen onder een buitensporige fiscale druk komt te staan.9
Het voorgaande laat onverlet dat het Hof van Justitie ook de in de richtlijnhistorie genoemde doelstelling van eenvoud onderschrijft. Waarin die vereenvoudiging concreet bestaat licht het Hof van Justitie niet toe. Niettemin valt uit de richtlijnhistorie hierover wel iets af te leiden. Uit de toelichting op art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn volgt dat de inbreng van (het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van) goederen in vennootschappen een belastbare handeling onder bezwarende titel kan zijn.10 Door de inbreng van (het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van) goederen in een vennootschap niet als een levering te beschouwen wordt voorkomen dat bij iedere inbreng van goederen beoordeeld moet worden of al dan niet sprake is van een belastbare levering onder bezwarende titel. Ik acht het waarschijnlijk dat de Europese Commissie deze vereenvoudiging op het oog heeft gehad.11 Nu, zoals hiervoor is opgemerkt, de reikwijdte van art. 19 Btw-richtlijn aanzienlijk ruimer is dan art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn, komt het mij niettemin juist voor dat het Hof van Justitie de nadruk legt op de (andere) doelstelling van art. 19 Btw-richtlijn die inhoudt dat vermeden wordt dat de financiële toestand van de verkrijger onder een buitensporige fiscale druk komt te staan.