Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/10.1
10.1 Wanbeleid
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85918:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide HR 10 januari 1990, NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer, AA 1990, p. 865-870, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 7.4 (Ogem).
Vide hof Amsterdam (OK) 30 juli 2001, JOR 2001/206, Ondernemingsrecht 2001/48, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.4 (Cohere); hof Amsterdam (OK) 30 juni 2003, ARO 2003/116, r.o. 3.6 en 3.11 (Polyplus); hof Amsterdam (OK) 20 januari 2012, ARO 2012/16, r.o. 3.13 (Mulix); hof Amsterdam (OK) 1 mei 2014, ARO 2014/121, r.o. 5.10 (Pierson & Pierson); hof Amsterdam (OK) 28 januari 2015, ARO 2015/82, r.o. 4.10 en 4.33 (Proxy); hof Amsterdam (OK) 8 december 2015, ARO 2016/14, r.o. 3.17 (Fuhler); hof Amsterdam (OK) 11 oktober 2016, ARO 2017/69, r.o. 4.5 (Lansinkveste). Vide ook hof Amsterdam (OK) 29 april 2002, ARO 2002/68 (Tactron); hof Amsterdam (OK) 15 augustus 2007, ARO 2007/146 (‘t Hart). In hof Amsterdam (OK) 24 juli 2007, ARO 2007/142 (Van Doorn) lijkt er, in geval van het eerste verzoekschrift, sprake te zijn van een loutere vaststelling van wanbeleid ter zake van de dochtermaatschappij. Hierbij heb ik in aanmerking genomen dat (a) de moedermaatschappij, Van Doorn Corporate Development Group B.V., geen verweerster was, (b) de definitieve voorzieningen – waarop rechtstreeks werd aangekoerst – enkel gericht waren op die dochtermaatschappij (vide r.o. 1.4) en (c) de Ondernemingskamer in r.o. 3.8 overwoog dat op basis van het verslag de conclusie slechts kon zijn dat ‘de verkoop en overdracht van de aandelen van VD Management [de desbetreffende dochtermaatschappij, toev., en curs., RPJ] in haar dochtervennootschappen en deelnemingen – en daarmee in feite de gehele onderneming van VD Corporate Development en VD Management – aan de door De Ruiter beheerste Caute Investments Ltd. en met name de voorwaarden waarop en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en mede in het licht van hetgeen eerder omtrent de (vooraarden van de) overname door De Ruiter van de trustactiviteiten van de “Van Doorn-vennootschappen” tussen Van Doorn en De Ruiter was besproken, heeft te gelden als wanbeleid’. Wat betreft het tweede verzoekschrift, dat wél (mede) tegen de hogergenoemde moedermaatschappij was gericht (vide r.o. 1.5), werd het daarin opgenomen verzoek afgewezen (vide r.o. 3.16) zonder uit te spreken dat niet van wanbeleid was gebleken ten aanzien van een met name genoemde vennootschap. In hof Amsterdam (OK) 3 november 2008, ARO 2008/175, r.o. 3.9 (ICTrack) overwoog de Ondernemingskamer dat uit het verslag genoegzaam was gebleken van wanbeleid van ‘de vennootschappen althans ICTrack’, wat daarvan ook zij. Overigens vermeld ik, ten overvloede, dat in hof Amsterdam (OK) 22 augustus 2016, ARO 2016/183 (RTC) het wanbeleidverzoek werd ingetrokken, zodat de enquêteverzoekers daarin niet-ontvankelijk werden verkaard. beleidvermenging. Alsdan is het begrijpelijk dat het wanbeleid van de een tevens wanbeleid van de ander oplevert. Zulks is echter niet conform het systeem waar de huidige – op de enkelvoudige vennootschap gerichte – enquêteregeling van uitgaat.
Hof Amsterdam (OK) 15 december 2011, JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand, JIN 2012/11, m.nt. M. van den Berg (Landis).
Volgens het thans vigerende systeem dient de Ondernemingskamer, in geval van een concerngenotenenquête, desverzocht per onderzochte vennootschap na te gaan of uit het verslag blijkt dat er sprake is geweest van wanbeleid, waarbij geldt dat het gewraakte handelen, daaronder begrepen gedragingen, en/of nalaten van (leden van) organen aan haar moet worden toegerekend (wanbeleid van hen = wanbeleid van de vennootschap).1 Uit de (schaarse) beschikkingen te dien aanzien blijkt dat zij dat ook doet.2
Mij is één beschikking bekend waarin de Ondernemingskamer een (enigszins) andere benadering volgde, namelijk Landis.3 Daarin werd verzocht wanbeleid vast te stellen ten aanzien van Landis en haar drie dochtermaatschappijen (vide r.o. 1.6). De Ondernemingskamer overwoog (in r.o. 4.147) daaromtrent aldus:
‘Slotsom is dat het verzoek van VEB tot vaststelling dat sprake is geweest van wanbeleid toewijsbaar is voor wat betreft de hierboven als wanbeleid beoordeelde onderdelen van het financieringsbeleid, het acquisitiebeleid, de externe verslaggeving, de administratie en het functioneren van de raad van commissarissen. Zoals Vrisekoop heeft opgemerkt wordt in het verslag geen afzonderlijke aandacht besteed aan de dochtervennootschappen van Landis, te weten Landis Group, Landis International en Detron. In de beschikking van 30 oktober 2003 (onder 3.18) heeft de Ondernemingskamer overwogen dat niet bestreden is dat Landis en deze dochtervennootschappen tezamen een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden en dat er wat de samenstelling van de onderscheiden bestuurder betreft sprake was van een vrijwel volledige personele unie. Dit is ook thans onweersproken gebleven. Derhalve moet worden aangenomen dat voor zover de hierboven als wanbeleid aangemerkte onderdelen van het beleid betrekking hadden op een of meer van de dochtervennootschappen, dit beleid in ieder geval mede is aan te merken als beleid van Landis. De Ondernemingskamer zal daarom volstaan met de vaststelling dat sprake is geweest van wanbeleid van Landis [curs. RPJ].’
In dezen stelde de Ondernemingskamer dus niet ook vast dat er sprake was geweest van wanbeleid van de dochtermaatschappijen, maar volstond zij met de wanbeleidvaststelling ter zake van hun moedermaatschappij, nu, naar het lijkt, wanbeleid van eerstgenoemden – mede – als wanbeleid van laatstgenoemde had te gelden, dit, naar zij lijkt te suggereren, gezien de (hechte) concernrelatie tussen die vennootschappen.
De gedachte hierachter is kennelijk deze dat in concernverband vennootschappen, de groepsmaatschappijen, geen afzonderlijk bestaan leiden; zij vormen (in ieder geval van intern) een – onder de supervisie van de dominante groepsmaatschappij – opererend geheel waarbinnen tussen het beleid van de respectieve groepsmaatschappijen geen schotten zitten, maar er veeleer sprake is van (gehele of gedeeltelijke)
Noemenswaardig is, overigens, dat de Ondernemingskamer zich ter zake van de beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake was geweest van wanbeleid van de groepsmaatschappijen die voorwerp van een concerngenotenenquête waren geweest, baseerde op, voor zover mij bekend, slechts één – door in de regel één onderzoeker opgesteld – (integraal) verslag, niet op separate, per geënquêteerde vennootschap opgestelde, verslagen. Ofschoon praktisch, is dat, strikt genomen, (eveneens) niet in overeenstemming met het thans vigerende systeem, tenzij dat (integrale) verslag kan worden gezien als een bundeling van subverslagen en (bijgevolg) de erin opgenomen bevindingen en conclusies van de onderzoeker duidelijk herleid kunnen worden naar de afzonderlijk onderzochte groepsmaatschappijen, zodat duidelijk is op wie zij betrekking hebben. Dit, evenals het voorgaande, heeft trekken van een concernbenadering.