Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.3.2
3.3.2 Collectieve rechtsgoederen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715484:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Dubber 2001, p. 851.
Prakken & Roef 2004, p. 227.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 37; Marshall & Duff 1998, p. 8; Roxin 1997, p. 13; Schaffmeister 1991a, p. 168; Feinberg 1984, p. 37 en 62; Welzel 1969, p. 2. Ook een op het eerste gezicht individueel rechtsgoed als eigenwaarde is mijns inziens beter als collectief rechtsgoed te begrijpen, nu eigenwaarde doorgaans paradoxaal genoeg vooral wordt begrepen in relatie tot anderen (vgl. Cleiren 2005, p. 114; Simester & Von Hirsch 2011, p. 37 en 38; Rawls 1999, p. 54 en 380; Vermunt 1984, p. 56-57; Van Hamel 1927, p. 176). Onder eigenwaarde versta ik ook eerbaarheid, reputatie, zelfrespect en eergevoel.
Marshall & Duff 1998, p. 9-10; Groenhuijsen 1987, p. 34.
Jakobs 1985, p. 773-774.
Dat doet de Belgische wetgever bijvoorbeeld (Verbruggen 2004, p. 120).
Verbruggen 2004, p. 120; Haentjens 1984, p. 36. Wel is naar Belgisch recht het daadwerkelijk veroorzaken van blijvend letsel een strafverzwarende omstandigheid (Verbruggen 2004, p. 121).
Vgl. Verbruggen 2004, p. 121.
Smidt 1891b, p. 220-221.
Heinrich 2009, p. 98; Jakobs 1985, p. 774; Rudolphi 1979, p. 216.
Heinrich 2009, p. 124. Hiermee wordt natuurlijk het rechtsgoedbegrip ten opzichte van de liberale benadering aanzienlijk opgerekt (Heinrich 2009, p. 103. Jakobs 1985, p. 774). Toch blijven ook hier wel grenzen aan te duiden: bij gedragingen die buiten de openbaarheid plaatsvinden, kan in ieder geval niet van een inbreuk op de openbare orde worden gesproken (Rudolphi 1979, p. 216). In vergelijkbare zin zal iemand zich, om gevaar voor het wegverkeer te kunnen veroorzaken, toch op zijn minst op of bij de openbare weg moeten hebben begeven.
Harcourt 1999, p. 143; Rozemond 1993, p. 376. Vanuit functionalistisch oogpunt is het maar zeer de vraag of dat inderdaad zo werkt (Rozemond 1993, p. 376) en als dat al zo is, rijst vanuit liberaal oogpunt de vraag of (de omvang van) dat gevaar opweegt tegen de inperking die met de strafbaarstelling wordt gemaakt op de vrijheden van burgers (Harcourt 1999, p. 143-144).
Harcourt 1999, p. 137.
Koops & Prins 2004, par. 2.1.
Heinrich 2009, p. 98; Jakobs 1985, p. 775.
Jakobs 1985, p. 752. Jakobs noemt drugsdelicten, misdrijven tegen de staatsveiligheid en vervalsing van geld.
Smidt 1891b, p. 233.
Zie bijvoorbeeld: artikel 161 sub 2 en 3, 161bis sub 3 en 4, 161sexies sub 2 en 3, 162, 162a, 166, 172 lid 1, 178, 208, 209 en 364 Sr.
De Waard 1976, p. 302. Het voorstel van De Waard breidt de reikwijdte van de samenspanningsregeling uit met 18 wetsartikelen, te weten de artikelen 123, 124, 157, 161bis sub 3, 161quater, 162, 164, 166, 168, 170, 172, 174, 278, 282, 289, 303, 385a en 385b Sr.
Zie artikel 282c Sr.
Zie artikel 83a Sr.
Zoals de verkoop van producten die schadelijk zijn voor de gezondheid (artikel 174 Sr).
Zie over de invoering van artikel 10a Opiumwet: Keulen 2014, p. 204; Strijards 1988, p. 126-127.
Kamerstukken II 1952/53, 2526, nr. 14, p. 1. Zie ook: Mols 1986, p. 280-281.
Mols 1986, p. 279-280. Zie ook: De Jong 1989b, p. 187.
Mols 2016, p. 8; Borgers & Van Poecke 2012, p. 174. Zie daarover ook §2.3.4.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 82-83; Jakobs 1985, p. 775-776. Vgl. Carvalho 2017, p. 34-35. Dat rechtsgoed kan bijvoorbeeld ook worden geschonden door verbale verklaringen over de bereidheid om een strafbaar feit te plegen (Jakobs 1985, p. 776).
Jakobs 1985, p. 777. Bij mislukte poging tot uitlokking is er immers geen daadwerkelijk gevaar voor een rechtsgoederenkrenking. Kennelijk is hier dus sprake van een voltooide krenking, aldus Jakobs.
Jakobs 1985, p. 778.
Gelet op de centrale rol die de gemeenschap speelt in een communitaristisch strafrecht, ligt het om te beginnen voor de hand dat er – naast de bescherming van individuele rechtsgoederen – in een communitaristisch strafrecht ook ruimte moet zijn voor de bescherming van collectieve rechtsgoederen.1 Dergelijke rechtsgoederen zijn doorgaans wat abstracter, vager en ongrijpbaarder dan individuele rechtsgoederen.2 Het gaat dan bijvoorbeeld om de staat, cultuur, openbare orde, volksgezondheid, valuta, het milieu en de rechtspleging.3 Dergelijke collectieve rechtsgoederen zijn in de communitaristische benadering meer dan een verzameling individuele belangen. Zij brengen tot uitdrukking dat mensen worden gevormd door en onderdeel uitmaken van een samenleving. Zonder de sociale context van de samenleving zouden de belangen en behoeften van mensen ook niet goed en volledig te begrijpen zijn.4
Bovendien voorkomt de erkenning van de beschermingswaardigheid van collectieve rechtsgoederen dat bij bijvoorbeeld voorfasedelicten steeds een nog ver weg gelegen individueel rechtsgoed moet worden aangewezen dat door het delict indirect kan worden geschonden. Dat kan niet alleen nogal kunstmatig overkomen, maar kan ook tot een uitholling van de bestaande individuele rechtsgoederen leiden. In plaats daarvan kunnen voorfasedelicten ook als zelfstandige, voltooide inbreuken op collectieve rechtsgoederen worden beschouwd.5 De abstracte aard van collectieve rechtsgoederen maakt dat mogelijk. De strafbaarstelling van (de voorfase van) drugswetgeving wordt door voorstanders bijvoorbeeld gerechtvaardigd met een beroep op het belang van de bescherming van de volksgezondheid, soms zelfs los van de vraag of drugsgebruik voor individuele, vrijwillige gebruikers schadelijk is.6 De Belgische wetgever heeft zelfs wel gesteld dat de volksgezondheid reeds door het enkele bezit van drugs zou worden geschaad.7 Vanuit liberaal oogpunt is die gedachte onnavolgbaar, maar als volksgezondheid wordt gezien als meer dan alleen de gecombineerde gezondheid van alle individuele burgers, is dat een stuk beter te begrijpen.8 Volgens diezelfde gedachtegang kan een delict als meineed (artikel 207 Sr) worden gerechtvaardigd met een beroep op de schending van wat de wetgever ‘openbare trouw’ noemt, los van de vraag of daadwerkelijk iemand door de valse verklaring is benadeeld.9 En in vergelijkbare zin is de voorbereiding van een moord niet (alleen) een onvoltooide inbreuk op het leven, maar (ook) een voltooide inbreuk op de openbare orde.10 En rijden onder invloed kan tot slot ook worden begrepen als een voltooide aantasting van de veiligheid van het wegverkeer, zelfs als er niemand daadwerkelijk in gevaar is geweest.11
De erkenning van de beschermenswaardigheid van collectieve rechtsgoederen heeft grote invloed op de vraag wat voorfasedelicten zijn en wat niet. Zo zou een strafbaarstelling van pornografie volgens sommige voorstanders kunnen voorkomen dat mannen een vertekend beeld van vrouwen krijgen, wat weer het risico zou verkleinen dat meer vrouwen slachtoffer worden van seksueel geweld.12 In de Amerikaanse Model Penal Code werd de strafbaarstelling van prostitutie daarentegen gerechtvaardigd geacht omdat prostitutie gevaar voor de verspreiding van seksueel overdraagbare ziekten met zich zou brengen.13 Beide delicten zijn in het licht van deze doelen beschouwd materieel gezien gevaarzettingsdelicten en dus voorfasedelicten. Het is echter ook mogelijk om beide delicten als voltooide krenkingen van een meer abstract collectief rechtsgoed als ‘zedelijkheid’ te zien. Argumenten als de bovenstaande lijken immers slechts voor de vorm recht te (proberen te) doen aan het schadebeginsel, terwijl het in werkelijkheid eerder om zedelijkheid lijkt te draaien. Vanuit communitaristisch oogpunt is het niet nodig dat te verhullen en is het voor een goed begrip van de vraag of een delict een voorfasedelict is of niet juist van groot belang hier transparant over te zijn.
Als we kijken bij welke delicten de vroege voorfase strafbaar is gesteld, dan vinden we ook opvallend veel collectieve rechtsgoederen. Juist bij rechtsgoederen die vanuit liberaal oogpunt het meest problematisch zijn is de voorfase dus vaak strafbaar gesteld. Koops en Prins wijzen erop dat voorbereidingshandelingen historisch vooral strafbaar zijn gesteld als het algemeen belang op het spel staat, zoals de integriteit van de economie, de volksgezondheid en de staatsveiligheid.14 De veelal collectieve rechtsgoederen die door voorfasedelicten worden bedreigd zijn daardoor vaak ook te kwalificeren als secundaire rechtsgoederen: rechtsgoederen die de gelding van andere rechtsgoederen veiligstellen en voorzienbaar en voorspelbaar maken.15 Dat zien we niet alleen in Nederland, maar onder meer ook in Duitsland.16 In Nederland is bijvoorbeeld al sinds 1886 de voorbereiding van vervalsing van geld strafbaar als een aantasting van de openbare trouw (artikel 214 Sr, zie ook artikel 208 en 209 Sr).17 De samenspanningsregeling is verder nauw gekoppeld aan staatsgevaarlijke misdrijven, zoals aanslagen tegen symbolen van de gemeenschap (artikel 92 Sr), landverraad (artikel 93 en 102 Sr) en verstoring van het democratische proces (artikel 94 t/m 95a en 121 t/m 124 Sr). Veel strafbare feiten die met een maximale gevangenis van acht jaar of meer worden bedreigd beschermen ook rechtsgoederen die met de instandhouding van de maatschappelijke orde te maken hebben. Denk aan omkoping van een ambtenaar, valsmunterij en de vernieling van verkeersborden, telecomnetwerken, elektriciteitsnetwerken en gas- of waterleidingen.18 De Waard heeft ook wel voorgesteld om de samenspanningsregeling uit te breiden tot veel gemeengevaarlijke delicten.19 Bij sommige terroristische delicten is dat inmiddels ook al gebeurd.20 Samenspanning tot vrijheidsberoving is bijvoorbeeld enkel strafbaar als de vrijheidsberoving met terroristisch oogmerk wordt gepleegd.21 Dat terroristisch oogmerk kan onder meer inhouden dat – kort gezegd – het doel moet zijn geweest de bevolking angst aan te jagen of de samenleving te ontwrichten.22 Het doelwit is dan dus niet slechts één vooraf geselecteerd individu, maar (een deel van) de samenleving. Dat is ook bij niet-terroristische misdrijven tegen de staatsveiligheid het geval.23 En mogelijk kunnen veel van de genoemde gevaarzettingsdelicten waar acht jaar of meer op staat ook beter zo worden begrepen.24 Typerend is verder dat (ook) in Nederland de meer recente opmars van strafbaarheid in de voorfase uitgerekend bij drugsdelicten werd ingezet (artikel 10a Opiumwet), terwijl bij dit type delicten zelfs de voltooide variant vanuit liberaal oogpunt ter discussie staat vanwege een vermeend gebrek aan een slachtoffer (zie §3.2.2.1).25 Dertig jaar eerder benadrukte de wetgever nog dat van het uitgangspunt dat enkel poging strafbaar is alleen moest worden afgeweken bij de meest ernstige, staatsgevaarlijke misdrijven.26 Sinds 1985 is ook gevaar voor de volksgezondheid blijkbaar voldoende reden om van dat uitgangspunt af te wijken.27 De minister onderstreepte toen vooral – met enig gevoel voor drama – de ernst van handel in harddrugs.28 Dat er evident ernstigere strafbare feiten zijn waarvan de voorbereiding niet strafbaar was – moord bijvoorbeeld – blijft buiten beschouwing. Ook de beperking tot softdrugs is inmiddels overigens gesneuveld, nu in artikel 11a ook voorbereiding van (bedrijfsmatige) handel in softdrugs strafbaar is gesteld.29
Een laatste communitaristische overweging met betrekking tot de rechtsgoederen waar voorfasedelicten een inbreuk op maken, slaat terug op het communitaristische uitgangspunt dat het overtreden van afspraken die de samenleving heeft gemaakt als zodanig al strafwaardig is. Plegers van voorfasedelicten tonen met hun gedragingen een zekere bereidheid om dergelijke afspraken te schenden. Een voorfasegedraging kan daarom ook worden beschouwd als een voltooide aantasting van een secundair rechtsgoed, te weten (het vertrouwen in) de gelding van de onderliggende verbodsnormen.30 Dat zou volgens Jakobs ook de ratio zijn van de strafbaarheid van (mislukte) poging tot uitlokking naar Duits recht.31 Dergelijke gedragingen ondermijnen het normbesef van de samenleving. Ook de strafbaarheid van deelname aan een criminele of terroristische organisatie kan over die band beter worden verklaard dan vanuit liberaal perspectief mogelijk is, vooral als van de publieke verklaringen of gedragingen van de organisatie geen concrete dreiging uitgaat.32