Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.1.1
4.1.1 Inhoud
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264457:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van Deursen 2006, p. 54-72.
Van Deursen 2006, p. 144; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 342-348.
Jansen 2015, nr. 1.1.1.
Kooiker 1996, p. 9-24; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 350-356; Jansen 2015, nr. 1.1.1-1.1.2.
Zimmermann 1992, p. 19-20; Van Deursen 2006, p. 144.
Zimmermann 1992, p. 11-12.
De Blécourt 1939, p. 57; Zimmermann 1992, p. 20-25; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 352-353.
Cerutti 1965, p. 51-58; Van den Berg 2006, p. 167-169 en 174; Brandsma 2010, p. 35; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 363-365.
Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 353.
Delen van dit hoofdstuk zijn gepubliceerd in Bobbink 2016, p. 86-89; Bobbink 2019a; Bobbink 2019b, p. 471-473.
Hugo de Groot (1583-1645) was advocaat. Hij schreef zijn Inleidinge tot de Hollandsche Rechts-Geleerdheid in gevangenschap in het slot Loevesteyn. Na zijn ontsnapping schreef hij in ballingschap een werk waarmee hij internationale faam verwierf: De iure belli ac pacis. Zie Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 353-354.
Johannes Voet (1647-1713) was achtereenvolgens hoogleraar in Utrecht en Leiden. Zijn Digestencommentaar, Commentarius ad Pandectas, genoot groot aanzien in het buitenland: Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 352.
Simon van Leeuwen (1626-1682) was advocaat te Leiden: Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 352.
Joannes Naeranus publiceerde tussen 1645 en 1666 honderden adviezen van advocaten. Deze adviezenverzameling staat bekend als Hollandsche Consultatien: Druwé 2018, p. 89-96.
Cornelis van Bijnkershoek (1673-1743) was van 1724 en 1743 president van de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland. Zijn observationes zijn aantekeningen van zaken die hij in de Hoge Raad behandelde: Sirks 2010, p. 278-282.
Lokin, Jansen & Brandsma 1999, p. 225-231; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 350-354.
Ulrik Huber (1636-1694) was hoogleraar te Franeker en maakte van 1679-1682 deel uit van het Hof van Friesland: Lokin, Jansen & Brandsma 1999, p. 18-19.
Johannes van de Sande (1568-1638) was tussen 1598 en 1604 hoogleraar te Franeker en was daarna raadsheer in het Hof van Friesland: Lokin, Jansen & Brandsma 1999, p. 18-19.
Lokin, Jansen & Brandsma 1999, p. 29; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 350-354.
Groenewegen van der Made 1669, p. 283 (ad D. 36,4,5).
Van Zutphen 1636, p. 404; Van Wassenaer 1661, nr. 14.57; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.6; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7.
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.12.5.
In 1568 nam Willem van Oranje de wapens op tegen de hertog van Alva. Dit vormde het begin van wat bekend is komen te staan als de ‘Tachtigjarige Oorlog’.1 Deze oorlog leidde uiteindelijk tot de vorming van een statenbond, bij de Vrede van Münster (1648) erkend als de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Republiek bestond uit zeven soevereine staten, met elk hun eigen jurisdictie.2 Het recht in deze zeven provinciën was een mengvorm van inheems recht, zoals lokaal gewoonterecht en stedelijke en provinciale verordeningen, en het (gerecipieerde) Romeinse recht3, zoals we dit ook zagen in het vorige hoofdstuk. Het Romeinse recht gold als subsidiaire rechtsbron. Het was van toepassing als het inheemse recht niet in een antwoord op een rechtsvraag voorzag. Omdat het inheemse recht beperkt werd uitgelegd en tal van privaatrechtelijke onderwerpen ongeregeld liet, was het gerecipieerde Romeinse recht feitelijk de belangrijkste rechtsbron in het privaatrecht.4 Binnen de Republiek lag het zwaartepunt van de macht bij één provincie: Holland.5 Het recht dat in Holland in de 17e en 18e eeuw gold, staat bekend als het Rooms-Hollandse recht.6 Dit Rooms-Hollandse recht was, mede door de macht van de provincie Holland, het invloedrijkste (burgerlijke) recht in de Republiek.7 Het vormde een belangrijke pijler onder de eerste codificatie van Nederland, het Wetboek Napoléon, ingerigt voor het Koningrijk Holland (1809).8
Daarnaast vormt het Rooms-Hollandse recht nog altijd de basis van het privaatrecht van de Republiek van Zuid-Afrika9, waarover meer in hoofdstuk 5.
In dit hoofdstuk10 analyseer ik de werking van het recht van pandgebruik in het Rooms-Hollandse recht. De bronnen van het Rooms-Hollandse recht bestaan uit wetgeving, monografieën, zoals Inleidinge tot de Hollandsche Rechts-Geleerdheid van De Groot11, Commentarius ad Pandectas van Voet12 en Het Rooms-Hollands-Regt van Van Leeuwen13 en rechtspraak-en opinieverzamelingen. De belangrijkste adviezen met betrekking tot pandgebruik zijn de adviezen over de verpanding van Woerden uit Consultatien, advysen en advertissementen van Naeranus.14 De belangrijkste rechtszaak over het recht van pandgebruik is de zaak over de verpanding van Zevenbergen uit Observationes Tumultuariae van Van Bijnkershoek.15 Deze twee casus bespreek ik later in deze inleiding.
Het leeuwendeel van dit hoofdstuk gaat over het Rooms-Hollandse recht. Incidenteel verwijs ik naar het Rooms-Friese recht, vanwege de sterke gelding die het Romeinse recht in deze provincie had.16 In dit verband besteed ik aandacht aan de werken van Huber17 en Van de Sande18. Hun werken kregen destijds veel aandacht in de rechtswetenschap.19 Ten slotte verwijs ik naar Gelderse opinieverzamelingen. De adviezen waarnaar ik verwijs, illustreren transacties waarin het recht van pandgebruik een rol kon spelen en vragen die konden opkomen in de rechtspraktijk.
In §4.1.2 bespreek ik de terminologie waarmee het recht van pandgebruik werd aangeduid in het Rooms-Hollandse recht. Vervolgens bespreek ik twee casus waarin het recht van pandgebruik een rol speelde: de verpanding van Woerden (§4.1.3) en de verpanding van Zevenbergen (§4.1.4). De juridische aspecten van deze casus komen op meer plaatsen in dit hoofdstuk terug. In §4.2 bespreek ik de vestiging van het recht van pandgebruik. In §4.3 bespreek ik de verplichtingen, maar vooral de rechten die uit pandgebruik voortvloeiden en de objecten waarop het recht van pandgebruik kon rusten. In §4.4 bespreek ik de functies van het recht van pandgebruik.
Niet alle onderwerpen die ik in eerdere hoofdstukken heb besproken, kregen aandacht in het Rooms-Hollandse recht. Voor het vervolg van dit hoofdstuk laat ik deze onderwerpen buiten beschouwing. Ze betreffen:
Pandrecht op slaven; geen van de auteurs die ik heb bestudeerd, liet zich expliciet uit over de verpanding van slaven op Hollands grondgebied.
Missio Antoniniana; in §2.3.2 heb ik uiteengezet dat de missio Antoniniana een wettelijke grondslag vormde voor het ontstaan van een zelfstandig recht van antichrese. De missio Antoniniana was in het Rooms-Hollandse recht echter niet meer in gebruik.20 Evenmin ben ik tegengekomen dat het Gordiaans retentierecht een grond vormde voor het bestaan van een recht van zelfstandige antichrese.
Eigendomsverkrijging van de vruchten; het Romeinse recht werkte op dit punt door. De Rooms-Hollandse auteurs lieten zich nauwelijks uit over een dogmatische verklaring voor de eigendomsverkrijging van de vruchten door de pandgebruiker. De pandhouder verkreeg dus het eigendomsrecht van de vruchten die hij had geoogst. De Rooms-Hollandse auteurs schreven dat de pandhouder de vruchten mocht genieten (frui)21 en houden (retinere)22; de vruchten volgden de pandgebruiker.23 Het taalgebruik laat zien dat de geïnde vruchten toekwamen aan de pandgebruiker.