Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.2.3:6.2.3 Artikel 3:15i BW tijdens faillissement
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.2.3
6.2.3 Artikel 3:15i BW tijdens faillissement
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180141:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.3.
Zie paragraaf 4.2.4.
In een situatie waarin een gefailleerde natuurlijk persoon zonder wetenschap of goedkeuring van de curator was doorgegaan met het ontwikkelen van bedrijfsmatige activiteiten, oordeelde het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat de gefailleerde handelde in strijd met artikel 341 Sr, door van deze werkzaamheden geen administratie te voeren ex artikel 3:15i BW, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5235.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geen van de hiervoor genoemde auteurs heeft de administratieplicht ex artikel 3:15i BW in zijn beschouwingen betrokken, met uitzondering van C.M. van der Heijden die deze administratieplicht van toepassing acht op de curator die de onderneming van de gefailleerde (tijdelijk) voortzet.
Voor rechtspersonen, waarover de in de vorige paragraaf genoemde auteurs zich uitlieten, is dit niet vreemd omdat de verplichtingen van artikel 2:10 BW en artikel 3:15i BW vergelijkbaar zijn. Omdat ik uitga van de nevengeschiktheid van beide administratieplichten,1 ligt het voor de hand te concluderen dat hetgeen deze auteurs schreven over artikel 2:10 BW ook geldt voor artikel 3:15i BW. Voor zover de genoemde auteurs – met uitzondering van Beckman die een verklaard voorstander is van de nevengeschiktheid van beide administratieplichten2 – zouden uitgaan van een verhouding van lex generalis/lex specialis is het ook verklaarbaar dat zij artikel 3:15i BW als lex generalis niet in hun standpunt betrekken.
Dat neemt echter niet weg dat artikel 3:15i BW een ruimer toepassingsbereik kent dan dat van artikel 2:10 BW en de Faillissementswet geen onderscheid maakt tussen het faillissement van een natuurlijk persoon, een corporatie naar buitenlands recht, een Europese corporatie met statutaire zetel in Nederland en de rechtspersoon naar Nederlands privaatrecht. Omdat dit onderscheid niet gemaakt wordt in de Faillissementswet, en er ook geen bijzondere bepalingen zijn over de toepasselijkheid van de administratieplicht in en buiten faillissement voor andere gefailleerden dan rechtspersonen, zie ik geen goede reden om hetgeen wordt betoogd voor rechtspersonen niet ook te laten gelden voor andere gefailleerden op grond van de Faillissementswet. Dat betekent dat artikel 3:15i BW van toepassing is tot aan de faillissementsdatum en dat vanaf het uitspreken van het faillissement de curator verantwoording aflegt op basis van het bepaalde in de Faillissementswet.
Wanneer een gefailleerde natuurlijk persoon na het uitspreken van zijn faillissement – met instemming van de curator – voortgaat met het uitoefenen van zijn bedrijf of zelfstandig uitgeoefende beroep, zal de curator met de gefailleerde moeten afspreken dat hiervan een administratie wordt gevoerd. In dat geval ligt het voor de hand dat artikel 3:15i BW blijft gelden voor deze gefailleerde. De curator heeft deze informatie nodig om verantwoording te kunnen afleggen op basis van de Faillissementswet.3